Dag 8 · 1 Korinthe 13:4 · met Hildegard van Bingen (1098–1179)
De woorden van deze dag
Bij de tekst
Twee werkwoorden dicht opeen: οὐ περπερεύεται (ou perpereuetai) (zij pocht niet, maakt geen ophef van zichzelf) en οὐ φυσιοῦται (ou physioutai) (zij blaast zich niet op). Het tweede beeld is dat van een opgezwollen blaasbalg — veel lucht, geen gewicht.
Tegenover deze opgeblazenheid staat in de Schrift telkens het beeld van groei van binnenuit: niet opzwellen, maar werkelijk vrucht dragen.
Hildegard werd in 1098 als tiende kind van een adellijke familie geboren in het Rijnland, en als “tiende” aan God gewijd. Al van jongs af zag zij wat zij het levende licht noemde — geen droom of trance, maar een schouwen met de ogen van de ziel, midden in het wakkere leven. Op haar achtste werd zij toevertrouwd aan een kluizenares bij het klooster op de Disibodenberg, en zij werd benedictines.
Lange tijd zweeg zij over haar visioenen. Pas op haar tweeënveertigste kwam de opdracht die zij niet meer kon ontwijken: schrijf op wat je ziet en hoort. Met grote aarzeling — en met de instemming van Bernard van Clairvaux en de paus — begon zij. Zo ontstond haar grote visioenenboek Scivias, “Ken de wegen”, gevolgd door twee andere machtige werken.
Wat volgde, is haast niet te bevatten voor één mensenleven, laat staan voor een twaalfde-eeuwse non. Zij componeerde een hele wereld van hemelse gezangen en een van de vroegste muziekdrama’s. Zij schreef over geneeskunde, planten, stenen en dieren. Zij stichtte eigen kloosters, ondernam predikreizen — ongehoord voor een vrouw — en correspondeerde met pausen, keizers en bisschoppen, die zij vrijmoedig durfde te berispen.
Haar sleutelwoord was viriditas, de “groenkracht”: de goddelijke levenssap die door heel de schepping stroomt en alles doet bloeien. Voor Hildegard was de wereld geen dorre machine maar een groenend, zingend geheel, doortrokken van Gods vruchtbaarheid. In alles zocht zij het leven dat van God uitgaat.
En toch — hier ligt het wonder — noemde deze veelbegaafde vrouw zichzelf steevast “een arm vrouwtje”, en beschreef zij zich als een veertje, dat geen eigen kracht heeft maar zich laat dragen op de adem van God. Haar gezag ontleende zij nooit aan zichzelf, altijd aan het Licht dat zij enkel doorgaf. Zij praalde niet met haar gaven; zij zette ze in dienst.
Aan het eind van haar leven kreeg haar klooster nog een zwaar verbod opgelegd — geen eucharistie, geen gezang — omdat zij weigerde het lichaam van een verzoende dode op te graven. Vurig verdedigde zij de lofzang als afglans van de hemel. Vlak voor haar dood in 1179 werd het verbod opgeheven. Eeuwen later riep de kerk deze “profetes van de Rijn” uit tot lerares van heel de kerk.
De liefde, zegt Paulus, praalt niet en is niet opgeblazen. In het Grieks staan er twee sprekende woorden: οὐ περπερεύεται (ou perpereuetai, zij schept niet op) en οὐ φυσιοῦται (ou physioutai, zij is niet opgeblazen). Het laatste woord komt van een werkwoord voor opblazen, zoals een blaasbalg lucht inblaast. De hoogmoedige is vol — maar vol van wind, opgezwollen met eigenwaan, en daardoor juist leeg vanbinnen.
Niemand ontmaskert dit beeld mooier dan Hildegard, want zij koos een tegenbeeld dat óók met lucht te maken heeft, en toch het volmaakte tegendeel is: niet de opgeblazen blaasbalg, maar het veertje. Ik ben, zei zij, een veer op de adem van God. Beide worden door lucht bewogen — maar de opgeblazene is vol van zichzelf en zwelt op, terwijl de veer juist leeg en licht genoeg is om gedragen te worden door de adem van een ander.
Daar ligt heel het verschil. De hoogmoed blaast zichzelf op om groot te lijken; de liefde maakt zich leeg genoeg om Gods Geest — Gods adem — haar te laten dragen. Wie vol is van zichzelf, kan niet meer gedragen worden; er is geen ruimte. Maar wie klein durft te zijn, wordt licht, en de adem van God tilt hem op, verder dan hij ooit uit eigen kracht zou komen.
Het verbazingwekkende is dat juist Hildegard dit zegt. Zij had álle reden tot hoogmoed: visioenen, roem, invloed, en gaven in muziek, wetenschap en theologie waar mannen jaloers op waren. En tóch bleef zij zichzelf een arm vrouwtje noemen. Dat was geen valse bescheidenheid, maar diep besef: alles wat zij had, was gave. De viriditas, de groenkracht, stroomde niet uit háár, maar door haar heen, van God.
Hier ontmaskert het vers ook een verborgen waarheid: hoogmoed is vaak een vorm van onzekerheid. Wie zich opblaast, doet dat meestal omdat hij bang is te klein te zijn. Maar wie zich door God bemind en gedragen weet, hoeft zich niet groot te maken. Hij mag klein zijn, en dienstbaar, en gewoon — want zijn waarde ligt niet in wat hij van zichzelf maakt, maar in Wie hem draagt.
Zo bevrijdt dit woord ons van een zware last: de last van indruk maken. Je hoeft je niet op te blazen, niet te pralen, niet groter te lijken dan je bent. Je mag een veertje zijn. Vraag je vanavond af waar jij jezelf opblaast — en wat er zou gebeuren als je in plaats daarvan gewoon je liet dragen.
God, adem van alle leven,
ik hoef mij voor U niet groot te maken.
Neem de wind van mijn eigenwaan weg,
en maak mij licht als een veer,
leeg genoeg om door U gedragen te worden.
Laat uw groenkracht door mij heen stromen,
niet tot mijn eer, maar tot leven om mij heen. Amen.
Dat de liefde zich niet opblaast maar zich laat dragen — en dat de ware grootheid zich neerbuigt — licht telkens weer op in de Schrift en de geschiedenis van de kerk.
Hildegard, met al haar gaven en invloed, noemde zichzelf het liefst een veertje dat geen eigen kracht bezit, maar zich laat dragen op de adem van God. Juist wie het meeste zou kunnen pochen, koos het beeld van het lichtste, kleinste ding — omdat zij wist dat alles gave was.
Twee mannen baden in de tempel. De een somde vol zelfvertrouwen zijn deugden op: ik dank U dat ik niet ben als andere mensen. De ander durfde niet eens op te zien en sloeg zich op de borst: wees mij zondaar genadig. En die laatste, zei Jezus, ging gerechtvaardigd naar huis. De opgeblazene bleef leeg; de nederige werd gevuld.
De machtige legeroverste Naäman kwam, melaats, bij de profeet, en verwachtte een groots gebaar. Maar hem werd gezegd: baad zevenmaal in de kleine Jordaan. Beledigd wilde hij weggaan — te min voor iemand van zijn stand. Pas toen hij zijn trots liet varen en zich boog, werd hij genezen. Opgeblazenheid stond zijn heil in de weg.
Op de avond voor zijn dood stond Jezus op, deed een doek om en waste de voeten van zijn leerlingen — het werk van de laagste slaaf. De Meester koos de plaats van de dienaar, zonder enig vertoon. Zo, zei Hij, moeten ook jullie elkaar dienen. De ware grootheid buigt zich neer.
Wanneer je genodigd bent, zei Jezus, ga dan niet op de ereplaats zitten, want misschien komt er iemand voornamer. Kies de laagste plaats, dan zal de gastheer je hoger nodigen. Want wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en wie zich vernedert, verhoogd. De liefde dringt niet naar voren; zij wacht bescheiden af.
De Romeinse priester Filippus Neri werd om zijn heiligheid geprezen, en dat beviel hem allerminst. Om de bewondering te ontlopen deed hij soms met opzet dwaze dingen — hij liep eens met een half geschoren baard door de stad — zodat men hem eerder uitlachte dan vereerde. Liever voor gek versleten dan opgeblazen door lof.
Hildegard was niet alleen zieneres en schrijfster, maar ook componiste. Haar antifoon Caritas abundat in omnia — “De liefde overvloeit in alles” — vat in enkele regels samen waar heel deze maand om draait.
Caritas abundat in omnia,
de imis excellentissima super sidera,
atque amantissima in omnia,
quia summo Regi osculum pacis dedit.
De liefde overvloeit in alles,
uit de diepten het meest verheven, tot boven de sterren,
en allerteederst in alles,
want aan de hoogste Koning gaf zij de vredeskus.