Dag 13 · 1 Korinthe 13:6 · met Meester Eckhart (ca. 1260–1328)
De woorden van deze dag
Bij de tekst
Οὐ χαίρει ἐπὶ τῇ ἀδικίᾳ (Ou chairei epi tēi adikiai) — de liefde ‘verheugt zich niet over het onrecht’. Bedoeld is het stille leedvermaak: de heimelijke vreugde wanneer een ander valt, of wanneer het kwaad ons gelijk lijkt te geven.
Het is de schaduwkant van de vorige verzen: niet alleen geen kwaad dóen, maar er ook geen vreugde in vinden — ook niet in de val van wie ons niet ligt.
Eckhart werd omstreeks 1260 geboren in Thüringen, in Midden-Duitsland, en trad jong in bij de dominicanen te Erfurt. Hij bleek een uitzonderlijk denker: hij studeerde en doceerde in Parijs, waar hij de titel van magister verwierf — vandaar dat hij tot vandaag “Meester” Eckhart heet. Daarnaast bekleedde hij hoge functies in zijn orde en bestuurde hij een heel kloosterdistrict.
Maar zijn faam dankt hij niet aan zijn ambten. Eckhart was bovenal een prediker — en dan geen gewone. Hij preekte in het Duits, voor gewone mensen, nonnen en begijnen, in een taal die duizelingwekkend diep ging. Zijn preken behoren tot de machtigste mystieke teksten die het Westen kent, vol paradoxen die de hoorder uit zijn vertrouwde denken schudden.
Zijn grote thema was het loslaten. Gelatenheid noemde hij het: het prijsgeven van alle eigen wil, alle bezit, alle beelden — tot je zó leeg bent geworden dat God in je geboren kan worden. Niets voor jezelf willen, zelfs God niet “hebben” willen, maar God enkel God laten zijn in de grond van je ziel. Wie werkelijk niets meer voor zichzelf zoekt, zei hij, die is vrij.
Die radicale taal bracht hem in gevaar. Aan het eind van zijn leven werd hij van ketterij beschuldigd; zijn paradoxen werden verdacht gevonden. Eckhart verdedigde zich en onderwierp zich aan het oordeel van de kerk, maar stierf voordat de zaak was afgerond. Kort na zijn dood werden enkele van zijn stellingen veroordeeld.
Toch bleef zijn invloed onuitroeibaar. Via zijn leerlingen en de hele Rijnlandse mystiek werkte hij door, tot in onze tijd. En juist deze meester van het loslaten kan ons vandaag iets leren bij een klein, verraderlijk woord uit Paulus’ lied: dat de liefde zich niet verblijdt over het onrecht — dat zij geen leedvermaak kent.
Na alle grote woorden komt Paulus nu bij iets kleins en geniepigs. De liefde, zegt hij, οὐ χαίρει ἐπὶ τῇ ἀδικίᾳ (ou chairei epi tēi adikiai) — zij verblijdt zich niet over de ἀδικία (adikia, het onrecht). Het gaat om iets waarvoor de Grieken zelfs een apart woord hadden, ἐπιχαιρεκακία (epichairekakia): de vreugde om andermans kwaad. Wij kennen het als leedvermaak.
Het is misschien wel de meest verborgen van alle ondeugden, omdat we haar zelden hardop toegeven. Die kleine, stille voldoening als een ander struikelt. Het lichte genoegen bij het schandaal van een bekende. Het “eigen schuld” dat door je heen flitst als iemand die je niet mag, onderuitgaat. Niemand ziet het, en toch is het er: een vreugde die zich voedt met het onrecht dat een ander treft.
Waarom doen we dat? Eckhart zou zeggen: omdat we nog zo vol zijn van onszelf. Leedvermaak komt voort uit vergelijking — als de ander zakt, lijk ik te stijgen — en uit eigenbelang. Het is de keerzijde van de afgunst: bij afgunst doet andermans geluk pijn, bij leedvermaak doet andermans ongeluk deugd. Beide draaien om hetzelfde ik dat zich met anderen meet.
En juist daar zet Eckhart de bijl aan de wortel. Zijn medicijn is niet: beter je best doen om geen leedvermaak te voelen. Zijn medicijn is het loslaten van jezelf. Want hoe leger je wordt van je eigen ik, hoe minder de val van een ander je nog iets “oplevert”. Wie niets meer voor zichzelf zoekt, heeft geen belang meer bij andermans ongeluk. De onthechte mens kan zich niet meer verheugen over kwaad, omdat hij niets meer te winnen heeft.
Er is nog een diepere reden. Eckhart zag God in alle dingen en in ieder mens. En wie in de ander, ook in de gevallene, ook in de tegenstander, iets van God ziet, kan zich onmogelijk verblijden over diens onheil. Leedvermaak is uiteindelijk blindheid: het ziet in de ander alleen een concurrent, geen beeld van God.
Vraag jezelf vanavond dus eerlijk af — en het vraagt eerlijkheid, want dit is een zonde die zich graag verstopt: waar betrapte ik mij vandaag op die stille voldoening om andermans misstap of ongeluk? En durf het dan los te laten, niet met een streng bevel aan jezelf, maar door in die ander, hoe dan ook, weer een mens te zien die God bemint.
Heer, U die in ieder mens uw beeld hebt gelegd,
vergeef mij de stille vreugde om andermans val.
Neem het meten en vergelijken uit mij weg,
maak mij leeg van mijzelf,
zodat ik niets meer te winnen heb bij het ongeluk van een ander,
maar in elk mens weer iemand zie die U liefhebt. Amen.
Dat de liefde zich niet verheugt over andermans val of onheil — dat zij het leedvermaak loslaat en in ieder mens Gods beeld blijft zien — licht telkens weer op in de Schrift en de geschiedenis van de kerk.
Eckhart leerde dat wie werkelijk niets meer voor zichzelf zoekt, ook geen leedvermaak meer kent. Zolang wij ons met anderen meten, doet hun val ons heimelijk goed. Maar de ziel die zichzelf heeft losgelaten, heeft niets meer te winnen bij andermans ongeluk — en wordt daarmee vrij van de geniepigste van alle vreugden.
De Spreuken zeggen het onomwonden: als uw vijand valt, verheug u niet, en als hij struikelt, laat uw hart niet juichen — anders zou de HEER het zien en het u kwalijk nemen. Zelfs tegenover wie ons kwaad wil, verbiedt de wijsheid het leedvermaak. Andermans val is nooit een reden tot feest.
Toen Jeruzalem viel, stond het broedervolk Edom erbij te juichen en profiteerde het nog van de ondergang. De profeet Obadja spreekt daar een hard oordeel over uit: gij hadt niet mogen toezien met leedvermaak op de dag van uw broeders onheil. Wie zich verheugt over andermans ondergang, roept die over zichzelf af.
Haman liet een hoge galg oprichten, verheugd bij het vooruitzicht dat zijn vijand Mordechai eraan zou hangen. Maar het liep anders: aan diezelfde galg werd Haman zelf opgehangen. Het leedvermaak dat hij koesterde, keerde zich tegen hemzelf. Wie een kuil graaft voor een ander, valt er vaak zelf in.
Jona was niet blij toen het goddeloze Ninevé zich bekeerde en gespaard bleef — hij was boos. Hij had de ondergang van de vijandstad liever gezien dan Gods genade. God moest hem, mokkend onder een verdorde struik, geduldig leren dat Hij ook met de ander begaan is. Soms moet zelfs een profeet het leedvermaak worden afgeleerd.
Toen in een klooster een broeder om zijn zonde werd weggestuurd, stond de woestijnvader Bessarion op en liep met hem mee naar buiten. “Ook ik,” zei hij, “ben een zondaar.” Hij weigerde zich boven de gevallene te verheffen, en deelde diens schande in plaats van er genoegen aan te beleven. Zo ziet liefde eruit die zich niet verblijdt over onrecht.
Uit de kring van Eckhart — misschien van zijn eigen hand — stamt het Granum sinapis, het ‘mosterdzaadlied’: een van de mooiste mystieke gedichten in de Duitse taal. Het wijst de weg die Eckhart telkens predikte: word leeg, laat alles los, ga het smalle pad zonder weg, tot je God vindt in de naamloze ‘woestijn’ van zijn eenheid. Hier gezongen in het Middelhoogduits, op een middeleeuwse melodie.
Wirt als ein kint, wirt toup, wirt blint!
Dîn selbes iht muoz werden niht;
al iht, al niht trîp über hôr!
Lâ stat, lâ zît, ouch bilde mît!
Genk âne wek den smalen stek,
sô kumst dû an der wüeste spôr.
Word als een kind, word doof, word blind!
Je eigen iets moet niets worden;
drijf alle iets, alle niets ver van je weg!
Laat plaats, laat tijd, mijd ook het beeld!
Ga zonder weg het smalle pad,
zo kom je op het spoor van de woestijn.