Dag 26 · 1 Korinthe 13:13 · met Karl Barth (1886–1968)
De woorden van deze dag
Bij de tekst
Νυνὶ δὲ μένει (Nyni de menei) — ‘en nu blijven’. Te midden van alles wat ophoudt (profetie, tongen, kennis) blijven deze drie staan; μένω (menō) is hetzelfde ‘blijven’ als in Johannes’ ‘blijf in Mij’.
Het ‘nu’ is geen tegenstelling tot ‘straks’, maar het heden van het geloof dat reikt naar de voleinding; geloof, hoop en liefde overspannen de tijd tot God alles in allen zal zijn.
Karl Barth werd in 1886 in Bazel geboren en groeide uit tot de invloedrijkste protestantse theoloog van de twintigste eeuw. Hij begon als leerling van de vrijzinnige theologie, maar brak daarmee toen zijn leermeesters bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog de oorlogspolitiek steunden. Dat, besloot hij, kon niet het evangelie zijn.
Zijn commentaar op de Romeinenbrief sloeg in 1919 in als een bom. Tegen alle menselijke religie in zette hij de radicale andersheid van God: God is God, en laat zich niet inlijven bij onze idealen. Alles hangt aan zijn genade, aan zijn Woord dat tot ons komt in Christus.
Zijn levenswerk werd de Kirchliche Dogmatik, een onvoltooid monument van dertien delen — geheel gericht op Gods openbaring in Christus. Geen abstracte godheid, maar de God die in Jezus naar ons toe komt en ons uitverkiest in liefde.
Toen het nazisme opkwam, werd Barth de belangrijkste opsteller van de Barmen-verklaring, het manifest van de Belijdende Kerk tegen Hitler. Het kostte hem zijn leerstoel in Duitsland; hij keerde terug naar Bazel.
Van deze reus wordt verteld dat hij, gevraagd om de kern van zijn ontzagwekkende theologie samen te vatten, antwoordde met een kinderlied: “Jezus houdt van mij, dat weet ik, want de Bijbel zegt het mij.” Juist hij mag ons leiden bij het slot van het Hooglied van de liefde.
Na alles wat vergaat, noemt Paulus wat blijft: νυνὶ δὲ μένει πίστις, ἐλπίς, ἀγάπη (nyni de menei pistis, elpis, agapē) — nu blijven geloof, hoop en liefde, deze drie. Een korte lijst, maar het is de kern. Al onze kennis en kunde valt weg; deze drie blijven staan. En van deze drie, zegt hij, is de liefde de grootste.
Waarom de grootste? Omdat geloof en hoop bij dit leven horen. Straks zien wij, en dan hoeven wij niet meer te geloven op afstand; straks bezitten wij, en dan hoeven wij niet meer te hopen. Maar de liefde houdt nooit op — ook niet in de hemel — want God zelf is liefde, en zij is eeuwig.
En hier laat Barth iets moois zien. De geleerdste theoloog van zijn eeuw, dertien machtige delen — en gevraagd naar de kern, zegt hij: “Jezus houdt van mij.” Onder heel die dogmatiek ligt dat ene, eenvoudige, onwrikbare woord. De grootste theologie loopt uit op het kinderlied.
Dat is geen minachting van het denken; Barth dacht dieper dan bijna iedereen. Maar hij wist waar het op uitloopt: niet op ons kennen van God, maar op Gods liefde voor ons. Al zijn boeken zijn, zo bezien, één lange voetnoot bij die vier woorden.
En daar mag ook ú uitkomen — na alle vragen, alle twijfel, alle geleerdheid of juist het gebrek daaraan. Niet uw greep op God houdt u vast, maar zíjn greep op u. Onder alles ligt de liefde die blijft.
Vraag jezelf vanavond af: waar bouw ik op — op wat ik weet en kan, of op de liefde die blijft? En durf ik, onder al mijn kennis en twijfel, terug te keren tot die eenvoudige, dragende kern: Hij houdt van mij?
God, die zelf de Liefde bent,
onder al mijn weten en niet-weten,
mijn geloof en mijn twijfel,
laat dit het vaste blijven:
dat U mij liefhebt, van eeuwigheid.
Leer mij terug te keren tot die eenvoudige kern
en daarop te bouwen, nu en altijd. Amen.
Van Barth wordt verteld dat hij zijn hele theologie samenvatte in de woorden van een kinderlied: Jezus houdt van mij, dat weet ik, want de Bijbel zegt het mij. De grootste denker kwam uit bij de eenvoudigste waarheid — de liefde die onder alles ligt en alles draagt.
Aan het begin van dit hoofdstuk zette Paulus het al scherp: al sprak ik de talen van engelen, al kende ik alle geheimen, al gaf ik mijn lichaam prijs — had ik de liefde niet, dan was ik niets. Niet de gaven, maar de liefde bepaalt of iets iets waard is.
Wij hebben lief, schrijft Johannes, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Onze liefde is geen prestatie maar een antwoord; zij ontspringt niet aan onszelf, maar aan een liefde die ons voor was. Daarom kan zij blijven: haar bron droogt nooit op.
Toen men Jezus vroeg naar het grootste gebod, vatte Hij heel de wet samen in twee: God liefhebben met heel je hart, en je naaste als jezelf. Aan deze twee, zei Hij, hangt de hele wet en de profeten. Alles komt uiteindelijk neer op liefhebben.
De liefde, schrijft Paulus aan de Romeinen, doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling van de wet. Wat honderd geboden proberen te bewerken, doet de liefde vanzelf. Zij is niet één deugd naast andere, maar de vervulling van alle.
De jonge Thérèse van Lisieux zocht haar plaats in de kerk — martelares, missionaris, lerares? Tot zij het vond: in het hart van de kerk, schreef zij, zal ik de liefde zijn. Dan ben ik alles tegelijk. Ook zij ontdekte dat alle roepingen samenkomen in die ene.
Gevraagd om de kern van zijn ontzagwekkende theologie samen te vatten, zou Barth hebben geantwoord met de woorden van dit kinderlied. Onder de dertien delen van zijn dogmatiek ligt die eenvoudige, onwrikbare waarheid: de liefde die blijft.
Jesus loves me! this I know,
for the Bible tells me so;
little ones to Him belong,
they are weak, but He is strong.
Yes, Jesus loves me!
Yes, Jesus loves me!
Yes, Jesus loves me!
The Bible tells me so.
Jezus houdt van mij, dat weet ik,
want de Bijbel zegt het mij;
de kleinen behoren Hem toe,
zij zijn zwak, maar Hij is sterk.
Ja, Jezus houdt van mij!
Ja, Jezus houdt van mij!
Ja, Jezus houdt van mij!
De Bijbel zegt het mij.