Dag 21 · 1 Korinthe 13:9-10 · met John Owen (1616–1683)
De woorden van deze dag
Bij de tekst
‘Wij kennen ten dele’ (ἐκ μέρους (ek merous)) — ons kennen en profeteren zijn stukwerk, fragment. Maar wanneer ‘het volmaakte’ (τὸ τέλειον (to teleion)) komt, wordt het gedeeltelijke afgedaan, zoals het kaarslicht verbleekt bij zonsopgang.
Het ‘volmaakte’ is niet een hoger inzicht, maar de voleinding zelf — de aanschouwing van God van aangezicht tot aangezicht, waarover vers 12 spreekt.
John Owen werd in 1616 geboren in Oxfordshire, als zoon van een puriteinse predikant. Hij bleek uitzonderlijk begaafd, studeerde jong in Oxford en werd de belangrijkste theoloog van het Engelse puritanisme — soms de “vorst der puriteinen” genoemd.
Hij leefde in een woelige tijd: burgeroorlog, de onthoofding van een koning, het bewind van Cromwell, en daarna de Restauratie. Owen werd een leidende stem onder de independenten, preekte voor het Parlement, adviseerde Cromwell, en werd zelfs vice-kanselier van de universiteit van Oxford — een geleerde midden in de politiek van zijn eeuw.
Na de Restauratie verloor hij al zijn posities. Als non-conformist werd hij vervolgd, maar hij bleef schrijven en leidde in het geheim een gemeente in Londen. Zijn verzameld werk vult vierentwintig delen: over de verzoening, over de Heilige Geest, over de gemeenschap met de drie-enige God, en over het doden van de zonde in het hart van de gelovige.
Bij al die geleerdheid — vierentwintig delen! — bleef Owen diep beseffen hoe klein onze kennis van God is. In een van zijn laatste werken, over de heerlijkheid van Christus, schreef hij dat wij God hier slechts kennen als door een beslagen glas; het werkelijke zien wacht ons pas hierna.
Dat werd op zijn sterfbed werkelijkheid. Toen men hem vertelde dat juist dat boek ter perse was gegaan, zei hij: “Ik ben blij — maar de langverwachte dag is eindelijk gekomen, waarop ik die heerlijkheid zal zien op een wijze zoals ik hier nooit heb gekund.” Juist deze geleerde, die wist hoe ten dele hij kende, mag ons leiden bij vers negen en tien.
Nu geeft Paulus de reden waarom die gaven zullen ophouden. Want, zegt hij, wij kennen ἐκ μέρους (ek merous) — ten dele — en wij profeteren ten dele; maar wanneer τὸ τέλειον (to teleion), het volmaakte, komt, zal het gedeeltelijke verdwijnen. Al onze kennis is een fragment, een stukje van een geheel dat wij nog niet overzien.
Dat is een heilzame nuchterheid, juist voor wie veel weet. Owen, met zijn vierentwintig delen, wist meer van God dan de meesten van ons ooit zullen weten — en juist hij zei: het is maar door een beslagen glas. Hoe meer je werkelijk van God leert, hoe scherper je beseft hoe oneindig Hij je begrip te boven gaat. Ware kennis maakt niet trots, maar nederig.
Wij vergeten dat graag. Wij spreken vaak over God alsof we Hem in ons systeem hebben gevangen, alsof onze woorden Hem dekken. Maar Paulus zet er een streep door: het is alles ten dele. Onze mooiste theologie is een landkaart, geen landschap; een stukje, geen geheel. Dat hoort ons voorzichtig te maken met onze stelligheid, en zacht met wie het anders ziet.
Maar het gedeeltelijke is niet het einde. Er komt iets: het volmaakte. Wat nu fragment is, wordt heel; wat nu vermoeden is, wordt zien. Owen verlangde er zijn leven lang naar, en op zijn sterfbed noemde hij het “de langverwachte dag”. Niet het einde van het kennen, maar de vervulling ervan — God zien zoals Hij is.
En hier ligt de troost van heel dit hoofdstuk. Want al kennen wij maar ten dele, wij worden volkomen gekend — door God, die ons doorgrondt en liefheeft. Onze kennis is een fragment, maar zíjn liefde voor ons is heel. En die liefde blijft, ook wanneer al onze stukjes kennis wegvallen in het volle licht van het volmaakte.
Vraag jezelf vanavond af: waar houd ik mijn stukje kennis voor het hele, en word ik daardoor stellig en hard? En kan ik het “ten dele” aanvaarden — nederig in wat ik weet, verlangend naar wat komt, en intussen rustend, niet in mijn kennen van God, maar in zijn kennen van mij?
God, die ik slechts ten dele ken,
maar die mij volkomen kent en liefhebt,
vergeef mij mijn stelligheid,
alsof mijn stukje het hele was.
Maak mij nederig in wat ik weet,
en vol verlangen naar de dag van het volmaakte,
waarop ik U zal zien zoals U bent. Amen.
Dat wij God nu slechts ten dele kennen — nederig in ons weten, verlangend naar het volmaakte, rustend in Zijn kennen van ons — licht telkens weer op in de Schrift en de geschiedenis van de kerk.
Zijn leven lang schreef Owen over God, en toch wist hij: het is maar door een beslagen glas. Op zijn sterfbed, toen zijn boek over de heerlijkheid van Christus verscheen, zei hij dat nu eindelijk de dag was gekomen waarop hij die heerlijkheid zou zien zoals het hier nooit kon. Het ten dele maakte plaats voor het volmaakte.
Mozes, die met God sprak als een vriend, durfde te vragen: toon mij toch uw heerlijkheid. Maar God zei: mijn aangezicht kun je niet zien en leven — je zult Mij slechts van achteren zien. Zelfs Mozes kende ten dele. Het volle aanschouwen is voor hierna bewaard.
Job had lang over God gehoord en geredeneerd, tot God zelf hem antwoordde uit de storm. Toen zei Job: met het gehoor van het oor had ik van U gehoord, maar nu ziet mijn oog U. Van horen naar zien, van ten dele naar werkelijk ontmoeten — daar zwijgt alle redenering.
Elia zocht God in de storm, de aardbeving en het vuur, maar God was er niet in. Toen kwam het suizen van een zachte stilte, en dáárin was Hij. Zo verborgen, zo indirect kennen wij Hem nu: niet in het spektakel, maar in een influistering die je makkelijk mist.
Twee leerlingen liepen urenlang met de Opgestane mee zonder Hem te herkennen; hun ogen waren gesloten. Pas toen Hij het brood brak, gingen hun ogen open — en meteen verdween Hij. Zo kennen wij Hem nu: in glimpen, aan het breken van het brood, tot Hij zich eens onverhuld geven zal.
Owens tijdgenoot Richard Baxter, ziek en het einde nabij, schreef een heel boek over “de eeuwige rust van de heiligen”: het volmaakte waarnaar heel het gelovige leven onderweg is. Wat wij hier ten dele proeven, zagen deze puriteinen als een voorschot op de dag waarop wij God ten volle zullen kennen en genieten.
Deze oud-Ierse hymne — ‘Wees Gij mijn visioen’ — bidt om God als het licht voor de ogen van het hart. Zij past bij Owens woord dat wij God nu nog ‘ten dele’ kennen, en verlangt naar het volle zien. Wat wij hier maar half aanschouwen, wordt eens het stralende licht dat Owen op zijn sterfbed ‘de langverwachte dag’ noemde.
Be thou my vision, O Lord of my heart;
naught be all else to me, save that thou art.
Thou my best thought, by day or by night,
waking or sleeping, thy presence my light.
High King of heaven, my victory won,
may I reach heaven’s joys, O bright heaven’s Sun!
Heart of my own heart, whatever befall,
still be my vision, O Ruler of all.
Wees Gij mijn visioen, o Heer van mijn hart;
niets anders zij mij iets, dan dat Gij het zijt.
Gij mijn beste gedachte, bij dag en bij nacht,
wakend of slapend, uw aanwezigheid mijn licht.
Hoge Koning van de hemel, mijn overwinning behaald,
mocht ik de vreugde van de hemel bereiken, o stralende hemelzon!
Hart van mijn eigen hart, wat er ook gebeurt,
wees Gij mijn visioen, o Heerser van alles.