Dag 25 · 1 Korinthe 13:12 · met John Henry Newman (1801–1890)
De woorden van deze dag
Bij de tekst
Ἐπιγνώσομαι καθὼς καὶ ἐπεγνώσθην (Epignōsomai kathōs kai epegnōsthēn) — het werkwoord verspringt van gewoon ‘kennen’ (γινώσκω (ginōskō)) naar ‘ten volle kennen’ (ἐπιγινώσκω (epiginōskō)), en het staat in de lijdende vorm: ik zal kennen zoals ik zélf al ten volle gekend ben.
Het zwaartepunt ligt niet bij mijn prestatie maar bij Gods kennen van mij, dat aan al mijn kennen voorafgaat en het draagt.
John Henry Newman werd in 1801 in Londen geboren en werd anglicaans priester. Als briljant geleerde te Oxford werd hij de ziel van een beweging die de kerk terugriep naar haar oude, katholieke wortels. Zijn preken en geschriften maakten diepe indruk op een hele generatie.
Maar zijn zoeken naar de waarheid liet hem niet los. Na jaren van studie en innerlijke strijd deed hij in 1845 een stap die vriend en vijand schokte: hij werd rooms-katholiek. Het kostte hem vrienden, positie en aanzien — maar hij volgde het licht dat hij zag, één stap tegelijk.
Hij schreef zijn beroemde Apologia, een openhartig verslag van die weg, en dacht diep na over het geweten, over hoe wij tot geloofszekerheid komen, en over de ontwikkeling van de leer door de eeuwen. In 1879 werd hij tot kardinaal benoemd.
Zijn bekendste woorden schreef hij al jong, ziek en ver van huis, op zee: “Leid, vriendelijk Licht… ik vraag niet het verre verschiet te zien; één stap is mij genoeg.” Zijn kardinaalsmotto vatte zijn hele leven samen: cor ad cor loquitur — hart spreekt tot hart.
Hij stierf in 1890, negenentachtig jaar oud. Juist hij, die zijn leven lang ging in het licht van één stap, mag ons leiden bij het slot van vers twaalf: dat wij nu ten dele kennen, maar eens zullen kennen zoals wij gekend zijn.
Paulus besluit het vers met een adembenemende wending: ἄρτι γινώσκω ἐκ μέρους (arti ginōskō ek merous) — nu ken ik ten dele, maar dan zal ik ἐπιγνώσομαι (epignōsomai, ten volle kennen) zoals ik ten volle gekend ben. Ons kennen is nu een fragment; straks wordt het heel. En de maat ervan is verbluffend: wij zullen God kennen zoals Hij óns kent.
Dat laatste zet alles op zijn kop. Wij denken bij kennen aan ons zoeken, ons tasten, onze inspanning. Maar de grond onder dit vers is niet ons kennen van God, maar Gods kennen van ons — volkomen, van meet af aan, tot op de bodem. Wij worden al gekend zoals wij Hem pas hierna zullen kennen.
En intussen leven wij in het “ten dele”. Hier komt Newman ons te hulp. Hij kende geen plotselinge helderheid, maar een lange weg van zoeken, twijfelen en durven, stap voor stap. “Ik vraag niet het verre verschiet te zien,” bad hij; “één stap is mij genoeg.”
Dat is de wijsheid van de lantaarn: die verlicht niet de hele weg, maar precies de volgende stap. God geeft ons zelden het overzicht; Hij geeft licht genoeg om te gaan. Wie wacht tot hij alles begrijpt, komt nooit in beweging. Wie gaat in het licht dat hij heeft, wordt geleid — verder dan hij zien kan.
Zo is het “ten dele” geen gevangenis maar een weg. Elke stap in het weinige licht brengt dichter bij de dag waarop wij niet langer ten dele kennen, maar van aangezicht tot aangezicht — en zullen ontdekken dat wij heel die weg al gekend en gedragen waren.
Vraag jezelf vanavond niet af of je het hele pad overziet. Vraag alleen: wat is de éne stap die het licht mij nu wijst? En durf die te zetten, vertrouwend dat Hij die je volkomen kent, je ook veilig thuisbrengt.
Vriendelijk Licht, die mij door het duister leidt,
ik overzie de weg niet, en dat hoeft ook niet —
geef mij licht genoeg voor de volgende stap.
U kent mij volkomen, tot op de bodem, en hebt mij lief;
laat mij gaan in vertrouwen, één stap tegelijk,
tot de nacht voorbij is en ik U zie van aangezicht tot aangezicht. Amen.
Newman kende geen plotselinge helderheid, maar een lange weg van zoeken en durven. “Ik vraag niet het verre verschiet te zien,” bad hij, “één stap is mij genoeg.” Zo ging hij, dwars door verlies heen, in het licht dat hij kreeg — en werd geleid, verder dan hij zien kon.
Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad, zingt de psalm. Geen schijnwerper over de hele route, maar een lamp die de volgende stap verlicht. Wie gaat, ziet telkens net genoeg — en dat is genoeg.
Door het geloof, staat er, ging Abraham op weg naar een land dat hij ontvangen zou, en hij vertrok zonder te weten waar hij komen zou. Hij verliet het bekende op enkel Gods woord. Zo gaat wie ten dele kent: niet op zicht, maar op vertrouwen.
God ging voor zijn volk uit, overdag in een wolk en 's nachts in een vuur, en bracht hen zo etappe na etappe door de woestijn. Zij zagen nooit de hele route, alleen de volgende dagreis. Geleid worden betekent: niet alles weten, maar Iemand volgen.
HEER, Gij doorgrondt en kent mij, bidt de psalmist; Gij kent mijn zitten en mijn opstaan, van verre verstaat Gij mijn gedachten. Nog vóór wij iets van God begrijpen, zijn wij al volkomen door Hem gekend. Dát is de grond waarop wij durven gaan.
Corrie ten Boom vertelde hoe haar vader, toen zij als kind bang was voor de toekomst, haar vroeg: wanneer geef ik je je treinkaartje — weken van tevoren, of vlak voor je instapt? Vlak voor het instappen, zei ze. Zo, zei hij, geeft God ons wat wij nodig hebben — precies op tijd, geen dag te vroeg.
Newman schreef deze regels zelf, in 1833, jong en ziek op een schip dat weken lang stillag op zee. Ze werden zijn beroemdste woorden, en vatten heel deze dag samen: niet vragen het verre verschiet te zien, maar gaan in het licht van één stap. Lead, Kindly Light is talloze malen getoonzet; hier in een Engelse koorzetting.
Lead, kindly Light, amid th’encircling gloom,
lead thou me on!
The night is dark, and I am far from home,
lead thou me on!
Keep thou my feet; I do not ask to see
the distant scene; one step enough for me.
So long thy power hath blest me, sure it still
will lead me on,
o’er moor and fen, o’er crag and torrent, till
the night is gone;
and with the morn those angel faces smile,
which I have loved long since, and lost awhile.
Leid, vriendelijk Licht, te midden van de omringende duisternis,
leid Gij mij voort!
De nacht is donker, en ik ben ver van huis,
leid Gij mij voort!
Houd Gij mijn voeten vast; ik vraag niet het verre
verschiet te zien; één stap is mij genoeg.
Zo lang heeft uw kracht mij gezegend — zeker zal zij
mij verder leiden,
over heide en moeras, over rots en stroom, tot
de nacht voorbij is;
en met de morgen zullen die engelengezichten glimlachen,
die ik lang heb liefgehad, en een tijd verloren was.