Dag 28 · 1 Korinthe 13:13 · met Benedictus XVI (1927–2022)
De woorden van deze dag
Bij de tekst
Paulus kiest in heel dit hoofdstuk één woord voor de liefde: niet ἔρως (erōs) (begeerte) of φιλία (philia) (vriendschap), maar ἀγάπη (agapē) — de liefde die zich geeft.
Dat dit de ‘grootste’ is, wortelt in wat de Schrift elders zegt: God is ἀγάπη (agapē) (1 Joh. 4:8). De liefde is het grootst omdat zij het meest op God lijkt — zij í́s Zijn wezen.
Joseph Ratzinger werd in 1927 in Beieren geboren. Als jonge theoloog gold hij als een vernieuwer, en hij speelde een belangrijke rol op het Tweede Vaticaans Concilie. Als hoogleraar in Tübingen en Regensburg werd hij bekend als een van de scherpste denkers van de katholieke kerk.
Later werd hij aartsbisschop van München en, onder paus Johannes Paulus II, de bewaker van de geloofsleer in Rome — precies, geleerd en soms gevreesd. Wie hem ontmoette, trof echter geen harde man aan, maar een verlegen, hoffelijke geleerde.
In 2005 werd hij tot paus gekozen: Benedictus XVI. Een theoloog op de stoel van Petrus, die ook als paus diepzinnige boeken bleef schrijven, onder meer over Jezus van Nazareth.
In 2013 deed hij iets ongekends: hij trad af, als eerste paus in bijna zeshonderd jaar, omdat zijn krachten hem begaven. Hij trok zich terug in gebed en stilte, en stierf in 2022.
Veelzeggend is dat zijn allereerste encycliek, het openingswoord van zijn pontificaat, de titel droeg Deus caritas est — God is liefde. Juist hij mag ons leiden bij het slotakkoord van het Hooglied van de liefde: de grootste van deze drie is de liefde.
De grootste van deze drie is de liefde. Paulus zegt niet waarom, maar het diepste antwoord staat elders: ὁ θεὸς ἀγάπη ἐστίν (ho theos agapē estin) — God is liefde. Daar ligt de reden. De liefde is de grootste, niet omdat wij haar zo hoog achten, maar omdat God zelf, in de grond van zijn wezen, liefde ís.
Dat koos Benedictus als het eerste woord van zijn pausschap: Deus caritas est. Niet regels, niet macht, niet leerstelligheid in de eerste plaats — maar liefde. Alles wat de kerk gelooft en doet, komt daaruit voort, of het is niets waard.
En die liefde is geen vroom idee. Benedictus verbond de liefde tot God, die zich in het gebed laat aanbidden, onlosmakelijk met de liefde tot de naaste, die zich neerbuigt naar wie in nood is. Wie God werkelijk liefheeft, komt vanzelf bij de armen uit; en wie de arme dient, dient Hem.
Een oud beeld vatte die zichzelf gevende liefde samen: de pelikaan, waarvan men geloofde dat zij haar jongen voedde met haar eigen bloed. Zo, zeiden de oude christenen, is Christus — Hij geeft zichzelf als voedsel, zijn leven voor het onze. De liefde is de grootste, omdat zij zich geeft tot het bloed toe.
Daarom loopt heel dit hoofdstuk hierop uit. Niet ons geloof, niet onze hoop, hoe kostbaar ook, maar de liefde is het laatste woord — omdat zij ook het eerste woord is: God, die liefde is, nog vóór wij bestonden. Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.
Vraag jezelf vanavond af: geloof ik werkelijk dat God, in de grond, liefde is — niet toorn, niet onverschilligheid, maar liefde? En als dat waar is: hoe verandert dat alles — mijn beeld van Hem, van mijzelf, en van mijn naaste?
God, die de Liefde zelf bent,
U hebt ons liefgehad nog voor wij bestonden,
en U geeft Uzelf tot het bloed toe.
Laat die waarheid heel mijn leven kleuren:
dat U in de grond niet toorn bent, maar liefde.
Maak mij tot iemand die uw liefde ontvangt
en haar doorgeeft aan wie mij nodig heeft. Amen.
Benedictus koos als eerste woord van zijn pausschap: God is liefde. Alles in de kerk, leerde hij, komt daaruit voort — en de liefde tot God en de liefde tot de naaste zijn niet te scheiden. Wie God aanbidt, buigt zich neer naar wie in nood is; wie de arme dient, dient Hem.
Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Daar begint alles: niet bij onze liefde voor God, maar bij zijn liefde voor ons — een liefde die niet spaart, maar geeft, en het kostbaarste geeft.
De oude christenen zagen in de pelikaan een beeld van Christus: men geloofde dat zij haar jongen voedde met haar eigen bloed. Zo geeft Hij zichzelf als voedsel, zijn leven voor het onze. De grootste liefde is de liefde die zichzelf tot voedsel maakt voor wie zij liefheeft.
Niemand heeft God ooit gezien, schrijft Johannes; maar als wij elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons volmaakt. De onzichtbare God wordt zichtbaar, niet in een bewijs, maar in mensen die liefhebben.
Bij het laatste oordeel, zei Jezus, zal de Koning zeggen: wat gij aan de minsten der mijnen hebt gedaan, hebt gij aan Mij gedaan. De liefde tot God en de liefde tot de mens vallen daar volkomen samen: in de hongerige, de vreemdeling, de gevangene ontmoeten wij Hem zelf.
Moeder Teresa raapte de stervenden op uit de goten van Calcutta, om hen te laten sterven omringd door liefde. Zij noemde het “iets moois doen voor God”. In de armste en meest verwaarloosde mens zag zij Christus zelf — en diende Hem daar, met haar handen.
Thomas van Aquino dichtte deze eucharistische hymne; César Franck maakte er zijn beroemde, tedere toonzetting van. Panis angelicus — het brood der engelen wordt brood van de mensen. Zij bezingt de kern van Benedictus’ geloof: God die zich geeft als voedsel, de zelfgevende liefde die zo groot is dat zelfs de arme en geringe zijn Heer mag ontvangen.
Panis angelicus
fit panis hominum;
dat panis caelicus
figuris terminum:
O res mirabilis!
manducat Dominum
pauper, servus et humilis.
Het brood der engelen
wordt brood van de mensen;
het hemelse brood
maakt een eind aan de voorafbeeldingen.
O wonderbare zaak!
de arme, de dienstknecht en de nederige
eet zijn Heer.