←  Terug naar het overzicht
Dag 4 · verdiept 1 Kor 13:1-3

Heb lief, en doe wat je wilt

Dag 4 · 1 Korinthe 13:1-3 · met Aurelius Augustinus (354–430)

De woorden van deze dag

Statenvertaling (1637) 1 Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden. 2 En al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets. 3 En al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.
Werkvertaling uit het Grieks 1 Al sprak ik de talen van de mensen en zelfs van de engelen, maar had ik de liefde niet — dan ben ik klinkend koper geworden, of een schallende cimbaal. 2 En al had ik de gave van profetie, en kende ik alle geheimenissen en alle kennis, en al had ik het volle geloof, zodat ik bergen kon verzetten, maar had ik de liefde niet — dan ben ik niets. 3 En al deelde ik heel mijn bezit uit, en al gaf ik mijn lichaam prijs om mij erop te beroemen, maar had ik de liefde niet — het baatte mij niets.
NBV21 1 Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schallende cimbaal. 2 Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn. 3 Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs om te worden verbrand – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.
Herziene Statenvertaling 1 Al zou ik de talen van de mensen en van de engelen spreken, maar ik had de liefde niet, dan zou ik klinkend koper of een schallende cimbaal zijn geworden. 2 En al zou ik de gave van de profetie hebben en alle geheimenissen weten en alle kennis bezitten, en al zou ik al het geloof hebben zodat ik bergen zou verzetten, maar ik had de liefde niet, dan was ik niets. 3 En al zou ik al mijn bezittingen uitdelen tot levensonderhoud van de armen, en al zou ik mijn lichaam overgeven om verbrand te worden, maar ik had de liefde niet, het baatte mij niets.
The Message 1 If I speak with human eloquence and angelic ecstasy but don’t love, I’m nothing but the creaking of a rusty gate. 2 If I speak God’s Word with power, revealing all his mysteries and making everything plain as day, and if I have faith that says to a mountain, “Jump,” and it jumps, but I don’t love, I’m nothing. 3 If I give everything I own to the poor and even go to the stake to be burned as a martyr, but I don’t love, I’ve gotten nowhere. So, no matter what I say, what I believe, and what I do, I’m bankrupt without love.

Bij de tekst

Met deze drie verzen sluit Paulus zijn aanloop af: drie keer ‘al ware het’, drie keer een hoogtepunt van gave en daad, en drie keer dezelfde leegte zonder liefde. De opbouw loopt op van ‘klinkend metaal’ (iets) via ‘niets zijn’ (niemand) naar ‘niets baten’ (vergeefs).

Het is de donkere ondergrond waartegen de lofzang van vers 4 straks oplicht. Eerst wordt alles weggenomen wat niet liefde is; dan pas kan getoond worden wat liefde wél is.

Aurelius Augustinus

Aurelius Augustinus
Aurelius Augustinus (354–430) — vroegchristelijk fresco, Rome (6e eeuw)
het oudst bekende portret

Het leven

Augustinus is misschien wel de meest invloedrijke christen na de apostelen — en zeker de eerlijkste. In zijn Belijdenissen legde hij zijn hele rusteloze hart open. Hij werd in 354 geboren in Thagaste, in Romeins Noord-Afrika. Zijn moeder Monica was een vurig christen die jarenlang om haar zoon bad; zijn vader was nog heiden. De jonge Augustinus was hoogbegaafd, eerzuchtig en losbandig — hij bad, naar eigen zeggen, om kuisheid, “maar nog niet meteen”.

Hij studeerde retorica in Carthago en werd een gevierd leraar in de welsprekendheid, in Rome en later aan het keizerlijk hof in Milaan. Lang zocht hij de waarheid bij de Manicheeërs, met hun strakke verdeling van licht en duister, maar zij stelden hem teleur. Veelzeggend voor de man die straks de grote liefdestheoloog zou worden: zijn Grieks was zwak. Het woord dat in dit hoofdstuk alles draagt — ἀγάπη (agápè, de zichzelf gevende liefde) — leerde hij vooral kennen door het Latijnse caritas.

In Milaan hoorde hij de preken van bisschop Ambrosius, en las hij de boeken van de platonisten, die hem hielpen God als geestelijke werkelijkheid te denken. Maar de ommekeer kwam in een tuin, in 386. Verscheurd van binnen hoorde hij een kinderstem zingen: tolle, lege — neem en lees. Hij sloeg de brief aan de Romeinen open, las een woord over het afleggen van de begeerten, en het brak. Hij liet zich dopen door Ambrosius. Kort daarna stierf Monica; vlak voor haar dood deelden moeder en zoon in Ostia een hemels ogenblik, waarin zij samen heel even de eeuwige Wijsheid leken aan te raken.

Teruggekeerd naar Afrika wilde hij in stilte leven, maar de kerk liet dat niet toe. Tegen zijn wil werd hij priester en in 395 bisschop van Hippo. Bijna veertig jaar lang preekte, schreef en streed hij. Hij gaf ons de Belijdenissen, de monumentale De stad van God na de val van Rome, werken over de Drie-eenheid, en honderden preken en brieven. Tegen Pelagius verdedigde hij dat de mens zichzelf niet kan redden: alles begint bij Gods genade, die voorgaat. Daarom noemt men hem de leraar van de genade.

Zijn diepste thema bleef de liefde. Niet de vraag óf de mens liefheeft — dat doet iedereen — maar wát hij liefheeft, en in welke orde. “Mijn gewicht is mijn liefde,” schreef hij; “waarheen ik ook ga, het is mijn liefde die mij draagt.” Zoals een steen valt en een vlam omhoog streeft, zo wordt de ziel getrokken naar wat zij bemint. Daarom is alles eraan gelegen dat wij het juiste, het hoogste liefhebben: God zelf.

Augustinus stierf in 430, terwijl de Vandalen Hippo belegerden — een oude wereld die verging, en een denker die de nieuwe eeuwen vorm zou geven. Geen ander heeft het westerse christendom zo getekend, katholiek én protestant: Luther was een augustijner monnik, en Calvijn citeert niemand vaker. En telkens keert het bij hem terug naar dit ene: zonder de liefde is al het andere niets.

Meditatie

Op de vierde dag horen we de eerste drie verzen nog eens in één adem. Driemaal bouwt Paulus iets verhevens op — de taal der engelen, alle kennis en geloof, het hoogste offer — en driemaal haalt hij het onderuit met dezelfde voorwaarde: zonder ἀγάπη (agápè) is het niets. Wie kan ons door deze samenballing beter leiden dan Augustinus, voor wie de liefde de sleutel van alles was?

Augustinus zag scherp wat Paulus hier doet. De gaven — de γλῶσσαι (glóssai, de tongen of talen) van vers 1, de kennis en het geloof van vers 2, de offers van vers 3 — zijn op zichzelf niet slecht. Ze zijn zelfs groot. Maar ze zijn als een lichaam zonder ziel. De liefde is wat hen bezielt. Zonder haar blijven het indrukwekkende vormen waar het leven uit verdwenen is.

Daarom durfde Augustinus die ene, gewaagde zin te schrijven: heb lief, en doe wat je wilt. Het klinkt bijna roekeloos, maar het is het tegendeel. Hij bedoelt: als de wortel van je doen werkelijk liefde is, dan komt het goed met de vruchten. Niet de buitenkant van je daden beslist, maar de bron waaruit ze opwellen. Twee mensen kunnen hetzelfde doen — de een uit liefde, de ander uit angst of eerzucht — en het zijn twee totaal verschillende daden. De liefde is de wortel; al het andere is loof.

Hier komt zijn beroemde beeld van het gewicht binnen. καρδία (kardía, het hart) wordt gedragen door wat het liefheeft, zoals een steen naar beneden valt en een vlam naar boven trekt. Wat je bemint, dáár ga je heen. En dus: een mens kan de schitterendste gaven bezitten en toch de verkeerde kant op vallen, omdat zijn liefde verkeerd gericht staat — op zichzelf, op zijn eer, op het effect. De gaven van vers 1 tot 3 worden hemels of leeg, niet door wat ze zijn, maar door de liefde die hen richt.

Dat verklaart ook de onrust die Augustinus zo goed kende. Alle prestaties, alle roem, alle kennis hadden zijn hart niet kunnen stillen. Pas toen zijn liefde haar ware doel vond, kwam hij tot rust. “Gij hebt ons gemaakt naar U,” schreef hij, “en rusteloos is ons hart totdat het rust vindt in U.” De gaven kunnen die rust niet geven; alleen de liefde die in God haar bedding vindt.

En zo wordt dit zware drievoudige “niets” bij Augustinus juist een bevrijding. Het neemt de druk weg van het presteren en legt alles op het enige dat ieder mens kan: liefhebben. Je hoeft niet de taal der engelen te spreken, niet alle raadselen te kennen, niet op een brandstapel te eindigen. Je hoeft maar één ding — en als dat ene er is, krijgt al het andere zijn glans. Vraag jezelf vanavond dus niet in de eerste plaats af wat je vandaag deed of wist, maar: wat had ik lief? Daar, zegt Augustinus, ligt je hele leven.

Gebed

Heer, U die de Liefde zelf bent,
richt mijn liefde, die zo gemakkelijk dwaalt.
Maak haar tot de wortel van al mijn doen,
zodat niets in mij nog leeg en koud is,
maar alles bezield door U.
Want zonder de liefde ben ik niets;
geef mij die ene, en geef mij U. Amen.

Een woord van Augustinus “Gij hebt ons gemaakt naar U, en rusteloos is ons hart totdat het rust vindt in U.” — Augustinus, Belijdenissen

Sporen door de eeuwen

Dat alleen de liefde een mens en zijn daden waarde geeft — en dat wat je liefhebt heel je leven bepaalt — licht telkens weer op in de Schrift en de geschiedenis van de kerk.

De tranen van Monica

Jarenlang bad Augustinus’ moeder Monica om de bekering van haar zoon, en jarenlang leek het tevergeefs. Toen zij eens een bisschop in tranen om hulp vroeg, stuurde hij haar weg met een woord dat zij nooit vergat: de zoon van zoveel tranen kan onmogelijk verloren gaan. Haar volhardende liefde deed wat geen welsprekendheid kon. Soms is liefhebben niets anders dan blijven bidden en niet loslaten.

“Heb je Mij lief?”

Na de opstanding vroeg Jezus aan Petrus, die Hem driemaal verloochend had, niet of hij veel wist of grote dingen had gedaan. Driemaal vroeg Hij alleen: heb je Mij lief? In het Grieks klinkt er een ontroerend spel tussen ἀγαπάω (agapáō, met heel je wezen liefhebben) en φιλέω (philéō, liefhebben als een vriend). De enige voorwaarde om de kudde te mogen weiden was niet bekwaamheid, maar liefde.

Zij heeft veel liefgehad

Een vrouw met een slechte naam drong een gastmaal binnen, knielde bij Jezus, weende over zijn voeten en zalfde ze. De omstanders ergerden zich aan de verspilling. Maar Jezus zei: haar vele zonden zijn vergeven, want zij heeft veel liefgehad. Geen kennis, geen prestatie — enkel een overstromend hart, en dat bleek genoeg.

Het grootste gebod

Toen een wetgeleerde Jezus vroeg wat het voornaamste gebod was, vatte Hij heel de wet en de profeten samen in twee bewegingen van één liefde: heb God lief met heel je hart, en je naaste als jezelf. Niet een lange lijst van prestaties, maar de liefde als de zenuw die door alles heen loopt — precies wat Paulus in dit hoofdstuk uitwerkt.

Vincentius en de naastenliefde

De Franse priester Vincentius a Paulo maakte van de caritas een levenswerk. Hij richtte huizen op voor vondelingen die anders op straat stierven, zond zusters naar de armen en de zieken, en bezocht zelfs de geketende roeiers op de galeien. “Heb lief en doe wat je wilt” werd bij hem zichtbaar in duizend daden — liefde die niet bij het gevoel bleef staan, maar handen en voeten kreeg.

De lamp van Florence Nightingale

In de gruwel van een oorlogshospitaal liep ’s nachts een vrouw met een lamp langs de bedden van gewonde soldaten. Florence Nightingale geloofde dat God haar tot dit werk had geroepen, en zij maakte van de verpleging een werk van toewijding en liefde. Voor de soldaten was haar voorbijgaande schaduw genoeg om getroost te zijn. Liefde die dient, ook in het kleine en het vuile, draagt verder dan welk groots gebaar ook.

Sero te amavi — Laat heb ik U liefgehad

Geen woorden vatten Augustinus’ hele leven zo samen als deze, uit zijn Belijdenissen: laat heb ik U liefgehad. Al zijn kennis, al zijn zoeken bleef leeg, tot hij de Liefde zelf vond — die hem al die tijd van binnenuit had aangeraakt. Hier wordt zijn belijdenis gezongen.

Latijn

Sero te amavi,
pulchritudo tam antiqua et tam nova,
sero te amavi!
Vocasti et clamasti
et rupisti surditatem meam;
tetigisti me,
et exarsi in pacem tuam.

Nederlands

Laat heb ik U liefgehad,
o Schoonheid, zo oud en zo nieuw,
laat heb ik U liefgehad!
Gij hebt geroepen en geschreeuwd
en mijn doofheid doorbroken;
Gij hebt mij aangeraakt,
en ik ben ontbrand naar uw vrede.

Speelt af op deze pagina. Werkt de speler niet, gebruik dan de knop hieronder.

Naar een andere dag