Dag 15 · 1 Korinthe 13:7 · met Catharina van Siena (1347–1380)
De woorden van deze dag
Bij de tekst
Vers 7 zet in met πάντα στέγει (panta stegei) — ‘alles bedekt/draagt zij’. Het werkwoord στέγω (stegō) betekent zowel ‘beschutten, een dak bieden’ als ‘dragen, uithouden’. De liefde dekt toe wat de ander zou schaden, en draagt wat zwaar is.
Het is geen toedekken van onrecht, maar een beschermen van de ander — het tegendeel van het tentoonstellen van zijn fouten.
Catharina werd in 1347 in Siena geboren, als een van de vierentwintig kinderen van een verver. Al als klein meisje had zij visioenen, en jong besloot zij haar leven geheel aan Christus te wijden — tegen de wil van haar familie, die haar wilde uithuwelijken. Zij hield voet bij stuk en werd lekenzuster in de orde van Dominicus, zonder het klooster in te gaan.
Eerst leefde zij jaren in gebed en afzondering op haar kamertje. Daarna trad zij naar buiten, de wereld in: zij verzorgde pestlijders en melaatsen, hielp de armen, en werd een geestelijk raadsvrouw voor talloze mensen. Ongeletterd als zij was, dicteerde zij haar brieven en haar grote boek, de Dialoog — een gesprek tussen de ziel en God.
Wat volgde, is verbazingwekkend voor een eenvoudige vrouw uit de veertiende eeuw. Zij schreef vrijmoedige brieven aan vorsten, kardinalen en pausen. Zij bemiddelde in oorlogen tussen steden. En bovenal drong zij er bij de paus, die in Avignon verbleef, met klem op aan terug te keren naar Rome — wat in 1377 ook gebeurde. Een vrouw zonder enige macht bewoog de machtigsten van haar tijd.
Toen kort daarna de kerk uiteenscheurde in het grote Schisma, met twee pausen tegelijk, wierp Catharina zich volledig in de strijd voor haar eenheid. Zij leed onder de gebroken kerk als onder een eigen wond. Zij bedekte haar verval niet met stilzwijgen — zij sprak de waarheid scherp — maar zij gaf de kerk ook nooit op. Zij bleef haar dragen, met haar gebed en haar leven.
Die dubbele inzet putte haar uit. Zij stierf al in 1380, pas drieëndertig jaar oud, in Rome. Later werd zij heilig verklaard en tot lerares van de kerk uitgeroepen, patrones van Italië en van Europa. Juist zij, die een verscheurde kerk bleef bedekken en dragen zonder haar te verzwijgen, mag ons vandaag leiden bij het woord dat de liefde alles bedekt.
Bij vers 7 gaat Paulus vier keer het woord “alles” gebruiken. Het eerste is: de liefde bedekt alles. In het Grieks staat er πάντα στέγει (panta stegei). Het werkwoord στέγω (stegō) is verwant aan στέγη (stegē, een dak): het betekent bedekken, beschutten — en daardoor ook: dragen, uithouden. De liefde is als een dak dat de regen keert.
Dat “bedekken” kan verkeerd begrepen worden, alsof de liefde het kwaad maar moet toedekken en verzwijgen. Maar dat is het niet. Een dak verbergt niet dat het regent; het vangt de regen op zodat wie eronder woont beschermd is. Zo bedekt de liefde: niet door weg te kijken van de fouten van een ander, maar door zijn eer te sparen, hem niet te schande te zetten, het kwaad te dragen zonder het rond te bazuinen.
Het is het tegendeel van de roddel, die andermans fouten juist blootlegt en uitvergroot. De liefde doet het omgekeerde: zij trekt er een dak overheen. Niet om te verdoezelen, maar om te beschermen. Zij gunt de ander de ruimte om te falen zonder meteen aan de schandpaal te staan.
Niemand laat die spanning mooier zien dan Catharina. Want zij zweeg níet over het verval van de kerk — haar brieven zijn vlijmscherp. En toch bedekte zij: zij bleef de gebroken, zondige kerk liefhebben en dragen, gaf haar niet prijs, schreef haar niet af. Zij was als een dak boven een huis in verval: zij hield het overeind met haar gebed en haar liefde, juist toen het instortte. Bedekken en de waarheid spreken gingen bij haar samen.
Dat is de kunst die dit woord ons leert. Er is een bedekken dat laf is — dat de waarheid verzwijgt om er niet mee bezig te hoeven zijn. En er is een bedekken dat sterk is — dat de waarheid kent en tóch de eer van de ander beschermt, zijn falen draagt, hem niet laat vallen. Het eerste is onverschilligheid; het tweede is liefde.
Vraag je vanavond af: over wiens falen heb ik gesproken op een manier die hem bloot legde in plaats van beschermde? En waar zou de liefde mij vragen een dak te zijn — de waarheid onder ogen te zien, en tegelijk de eer van de ander te sparen, zijn zwakheid te dragen in plaats van uit te stallen?
Heer, U die onze schuld bedekt met uw genade,
leer mij een dak te zijn voor mijn naaste:
de waarheid niet te verzwijgen uit lafheid,
maar zijn eer te sparen en zijn falen te dragen,
in plaats van het uit te stallen.
Bewaar mij voor de tong die blootlegt,
en geef mij de liefde die beschermt. Amen.
Dat de liefde alles bedekt — niet door de waarheid te verzwijgen, maar door de eer van de ander te sparen en zijn falen te dragen — licht telkens weer op in de Schrift en de geschiedenis van de kerk.
Catharina zag het diepe verval van de kerk van haar tijd, en zij zweeg er niet over. En toch gaf zij die gebroken kerk nooit op: zij bleef haar liefhebben en dragen, als een dak boven een instortend huis. Bedekken betekende voor haar niet verzwijgen, maar volhouden in liefde waar zij ook streng de waarheid sprak.
Toen Noach dronken en naakt in zijn tent lag, ging Cham het rondvertellen. Maar zijn broers Sem en Jafet namen een kleed, liepen achterwaarts naar binnen om niets te zien, en bedekten hun vader. Twee manieren om met andermans schande om te gaan: haar rondbazuinen, of haar toedekken. Alleen de tweede is liefde.
Haat, zeggen de Spreuken, hitst voortdurend twist op — maar de liefde bedekt alle overtredingen. Niet dat zij het kwaad goedpraat, maar zij blijft er niet op hameren, zij vergroot het niet uit. Waar haat wroet in andermans fouten, trekt de liefde er een beschermend kleed overheen.
Hebt vóór alles vurige liefde voor elkaar, schrijft Petrus, want de liefde bedekt een menigte van zonden. Het is geen toedekken uit onverschilligheid, maar het warme dek van vergeving, dat telkens weer bereid is opnieuw te beginnen en niet elke misstap blijft natellen.
Toen Jozef ontdekte dat Maria zwanger was, had hij haar publiekelijk te schande kunnen maken. Maar hij was rechtvaardig én liefdevol, en wilde haar niet openlijk te kijk zetten; hij was van plan haar in stilte te verlaten. Nog vóór de engel kwam, koos zijn hart al voor het bedekken boven het blootleggen.
Toen de broeders eens bijeenkwamen om er een die gezondigd had te veroordelen, verscheen de woestijnvader Mozes met een lekke mand zand op zijn rug. “Mijn eigen zonden lopen achter mij aan en ik zie ze niet,” zei hij, “en ik zou vandaag komen om die van een ander te oordelen?” Beschaamd lieten zij de broeder met rust.
Uit Catharina’s eigen eeuw stamt het Anima Christi (‘Ziel van Christus’), een innig gebed tot de gekruisigde Heer. Catharina had een sterke devotie tot het bloed van Christus, en dit lied bidt erom daarmee doordrenkt te worden. Eén regel raakt precies deze dag: intra tua vulnera absconde me — ‘verberg mij in uw wonden’. Zo bedekt en beschermt de liefde: door ons te bergen in Christus zelf.
Anima Christi, sanctifica me.
Corpus Christi, salva me.
Sanguis Christi, inebria me.
Aqua lateris Christi, lava me.
Passio Christi, conforta me.
O bone Iesu, exaudi me.
Intra tua vulnera absconde me.
Ne permittas me separari a te.
Ab hoste maligno defende me.
In hora mortis meae voca me.
Et iube me venire ad te,
ut cum Sanctis tuis laudem te in saecula. Amen.
Ziel van Christus, heilig mij.
Lichaam van Christus, red mij.
Bloed van Christus, doordrenk mij.
Water uit Christus’ zijde, was mij.
Lijden van Christus, sterk mij.
O goede Jezus, verhoor mij.
Verberg mij in uw wonden.
Laat mij nooit van U gescheiden worden.
Tegen de boze vijand, verdedig mij.
In het uur van mijn dood, roep mij.
En laat mij tot U komen,
om met uw heiligen U te loven, in eeuwigheid. Amen.