Dag 24 · 1 Korinthe 13:12 · met Søren Kierkegaard (1813–1855)
De woorden van deze dag
Bij de tekst
Πρόσωπον πρὸς πρόσωπον (Prosōpon pros prosōpon) — ‘aangezicht tot aangezicht’, een uitdrukking uit het Oude Testament voor de meest onmiddellijke ontmoeting met God (vgl. Mozes, Ex. 33). Het is de taal van persoonlijke nabijheid, niet van informatie.
Kennen wordt hier gekénd-worden: de climax is niet dat ik God doorgrond, maar dat ik mijzelf volledig gekend en toch bemind weet.
Søren Kierkegaard werd in 1813 in Kopenhagen geboren, als jongste kind van een rijke, strenge en zwaarmoedige vader, wiens somberheid op hem overging. Hij was een uitzonderlijk begaafde, maar eenzame geest, getekend door melancholie en door de verbroken verloving met Regine Olsen, die hem zijn leven lang zou blijven bezighouden.
Hij schreef koortsachtig, deels onder een reeks pseudoniemen — Of/Of, Vrees en beven, De ziekte tot de dood — en deels onder eigen naam, in stichtelijke toespraken en gebeden. Hij geldt als de vader van het existentialisme, maar was bovenal een hartstochtelijk christen die de kerk van zijn dagen wakker wilde schudden.
Zijn grote thema was “de enkeling”: niet de massa, niet het systeem, maar het individu dat geheel alleen, persoonlijk, voor God komt te staan. Waarheid, zei hij, is niet een leerstuk dat je beaamt, maar een verhouding waarin je gaat staan — een leven, geen formule.
Daarom hekelde hij de gerieflijke “Christenheid” waarin iedereen automatisch christen heette. Geloof, wist hij, is een sprong, een waagstuk, een persoonlijke overgave — niet iets wat je erft met je paspoort. Aan het eind van zijn leven voerde hij een felle strijd tegen de gevestigde kerk.
Hij stierf jong, tweeënveertig jaar, uitgeput. Juist hij, die het persoonlijke tegenover-God-staan zo scherp verwoordde, mag ons leiden bij het woord over het zien van aangezicht tot aangezicht.
Na de spiegel volgt de belofte: τότε δὲ πρόσωπον πρὸς πρόσωπον (tote de prosōpon pros prosōpon) — maar dan van aangezicht tot aangezicht. Wat nu vaag en indirect is, wordt eens een ontmoeting van πρόσωπον (prosōpon, gelaat) tot gelaat: niet meer over God horen of naar Hem gissen, maar Hem zien, oog in oog, persoonlijk.
Dat woord “persoonlijk” is de sleutel, en niemand heeft het scherper gemaakt dan Kierkegaard. Want je kunt van alles over God weten, kundig meepraten, tot een kerk behoren — en Hem toch nooit van aangezicht tot aangezicht ontmoet hebben. Je kunt over God spreken in de derde persoon, en Hem nooit “U” hebben genoemd.
Kierkegaard bestreed zijn leven lang die vrijblijvendheid. Geloof, zei hij, is niet iets algemeens waarin je meedrijft met de massa, maar iets waarin je als enkeling gaat staan: jij, geheel alleen, voor God. Zoals er in de liefde een moment komt dat je niet langer óver de ander praat, maar de ander in de ogen ziet.
Want dat is waar heel dit hoofdstuk naartoe wil. De liefde verlangt geen kennis op afstand, maar de aanblik zelf. Zoals geliefden niet tevreden zijn met brieven maar naar het gezicht verlangen, zo verlangt de liefde naar het ogenblik waarop het spiegelbeeld wijkt en wij Hem zien zoals Hij is.
En het wonderlijke: dat aangezicht is al naar ons toegekeerd. Nog voordat wij Hem zien, ziet Hij ons — persoonlijk, bij name. Het “van aangezicht tot aangezicht” begint niet bij onze blik, maar bij de zijne, die al op ons rust.
Sta vanavond eens werkelijk als enkeling voor Hem — niet als lid van een groep, niet met geleende woorden, maar jij, alleen, voor God. Noem Hem “U”. Dat is de eerste, kleine oefening in het van aangezicht tot aangezicht dat komen gaat.
Levende God, voor wie ik als enkeling sta,
niet verscholen in de menigte, maar ik, alleen —
U kent mij bij mijn naam, nog vóór ik U aanzie.
Neem weg wat mij op afstand houdt, het vrijblijvende, het geleende,
en leer mij U “U” te noemen, van hart tot hart,
tot ik U eens zal zien van aangezicht tot aangezicht. Amen.
Kierkegaard bestreed heel zijn leven de vrijblijvende vroomheid van de massa. Geloof was voor hem niet iets waarin je meedrijft, maar iets waarin je als enkeling gaat staan: jij, geheel alleen, voor God. Pas daar, in dat persoonlijke tegenover, begint het van aangezicht tot aangezicht.
De HEER sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, staat er, zoals iemand spreekt met zijn vriend. Geen donder en bliksem, maar de vertrouwelijkheid van twee die elkaar aanzien. Zo dichtbij, zo persoonlijk wil God gekend worden.
Na een nacht van worstelen noemde Jakob de plaats Pniël: “ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn leven is behouden.” De ontmoeting kostte hem een litteken en gaf hem een nieuwe naam. Wie God werkelijk aanziet, komt er niet ongewijzigd vanaf.
Hagar, alleen en weggevlucht in de woestijn, ontdekte dat God haar zag in haar ellende. Verwonderd noemde zij Hem “de God die mij ziet”. Nog voordat wij Hem zoeken, rust zijn blik al op ons — ook op wie zich door iedereen vergeten waant.
Wij zijn nu al kinderen van God, schrijft Johannes, maar wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard. Dit weten wij: wanneer Hij verschijnt, zullen wij Hem gelijk zijn, want wij zullen Hem zien zoals Hij is. Het aanzien zelf zal ons veranderen.
Nicolaas van Cusa liet zijn monniken een icoon ophangen waarvan de ogen ieder afzonderlijk leken aan te kijken — waar je ook stond. Zo, schreef hij, ziet God: niet de menigte in het algemeen, maar ieder mens persoonlijk en geheel, alsof er niemand anders bestond.
Kierkegaard hield van de liederen van de Deense dichter Hans Adolph Brorson. Diens Den store hvide flok — ‘De grote witte schare’ — bezingt, naar Openbaring 7, de ontelbare menigte die eens vóór Gods troon zal staan en Hem zal aanschouwen. En toch is elk van hen een enkeling: geen gezichtsloze massa, maar stuk voor stuk iemand die persoonlijk voor Gods aangezicht is gekomen. Edvard Grieg maakte er zijn beroemde, plechtige koorzetting van.
Den store hvide flok vi se,
som tusind bjerge fuld af sne,
med skov omkring
af palmesving,
for tronen — hvo er de?
Det er den helteskare, som
af hin den store trængsel kom,
og har sig todt
i Lammets blod
til himlens helligdom.
De grote witte schare zien wij,
als duizend bergen vol met sneeuw,
omringd door een woud
van wuivende palmen,
voor de troon — wie zijn zij?
Het is de heldenschare die
uit de grote verdrukking kwam,
en zich gewassen heeft
in het bloed van het Lam,
tot het heiligdom van de hemel.