Dag 20 · 1 Korinthe 13:8 · met Jonathan Edwards (1703–1758)
De woorden van deze dag
Bij de tekst
Paulus somt op wat zal verdwijnen: profetieën worden tenietgedaan, talen houden op, kennis wordt afgedaan. Drie van de meest gewaardeerde gaven — en alle drie tijdelijk. Zij dienen het heden; zij overleven het niet.
De tegenstelling is volstrekt: het meest indrukwekkende is het meest vergankelijke, en het meest gewone — de liefde — is het enige eeuwige.
Jonathan Edwards werd in 1703 geboren in Connecticut, in het puriteinse New England, als zoon van een predikant. Hij was een wonderkind: op zijn dertiende ging hij al studeren aan Yale. Hij verslond niet alleen de gereformeerde theologie, maar ook de nieuwe wetenschap en filosofie van zijn tijd — een zeldzame combinatie van vroomheid en scherp verstand.
Als predikant in Northampton werd hij de centrale figuur van de Grote Opwekking, een golf van geestelijke vernieuwing die door de Amerikaanse koloniën trok. Zijn preken konden donderen over Gods oordeel, maar zijn hart lag bij iets anders: de schoonheid en de zoetheid van God, die hij bij zijn eigen bekering had geproefd als een licht dat alles veranderde.
Hij wordt vaak de grootste denker genoemd die Amerika heeft voortgebracht. Maar bij al zijn geleerdheid hield hij vol dat de kern van echt geloof niet in kennis of ervaring ligt, maar in de genegenheid van het hart — en de hoogste daarvan is de liefde. Ware deugd, schreef hij, is welwillendheid, liefde die zich richt op God en op al wat bestaat.
Veelzeggend: Edwards hield een hele reeks preken over 1 Korinthe 13, die bewaard is gebleven als De liefde en haar vruchten. En die reeks eindigt met een preek waarvan de titel alles zegt: “De hemel is een wereld van liefde.” Daar, zag hij, houden alle gaven op — profetie, kennis, tongen zijn niet meer nodig — en blijft alleen de liefde over, volmaakt.
Zijn eigen leven kende tegenslag: hij werd uit Northampton weggestuurd na een conflict, werd missionaris onder de indianen, en stierf in 1758, kort nadat hij president van Princeton was geworden, aan een mislukte inenting. Juist hij, die zo diep nadacht over wat blijft, mag ons vandaag leiden bij de tweede helft van vers 8.
Gisteren hoorden we dat de liefde nimmermeer vergaat. Vandaag zet Paulus daar het contrast naast. Profetieën, zegt hij, zullen worden afgeschaft — καταργηθήσονται (katargēthēsontai) — tongen zullen ophouden, en de kennis, γνῶσις (gnōsis), zal worden afgeschaft. Alles wat wij zo hoog achten, blijkt tijdelijk. Alleen de liefde blijft.
Dat is ontnuchterend. Want juist de dingen die Paulus hier opnoemt — profetie, bijzondere kennis, indrukwekkende gaven — zijn de dingen waarmee wij graag indruk maken, ook in de kerk. Wij meten geestelijkheid af aan wat iemand weet, kan, presteert. En Paulus zegt: dat alles gaat voorbij. Het is een steiger, geen huis.
Edwards heeft dit prachtig doordacht in zijn preek over de hemel. Waarom houden die gaven op? Niet omdat ze slecht zijn, maar omdat ze hulpmiddelen zijn voor onderweg. Profetie en kennis helpen ons God te leren kennen zolang wij Hem niet zien. Maar in de hemel, waar wij Hem van aangezicht tot aangezicht zullen zien, zijn ze overbodig — zoals je een landkaart wegdoet als je bent aangekomen. Wat overblijft, is de liefde, want die is geen middel maar het doel zelf.
Daarom noemde Edwards de hemel “een wereld van liefde”. Alles wat ons hier nog scheidt en beperkt valt weg; wat blijft is de volmaakte liefde tussen God en de zijnen, en tussen hen onderling. De hemel is niet in de eerste plaats een plaats van kennis of van glorie, maar van liefde — omdat God, die liefde is, daar alles in allen is.
Dat stelt een scherpe vraag aan ons geloof. Waar bouw ik op? Op wat ik weet, kan en presteer — dingen die zullen ophouden? Of op de liefde, het enige dat meegaat tot in de eeuwigheid? Veel waar wij ons druk om maken, ook in de kerk, is steiger. De liefde is het huis.
Vraag jezelf vanavond af: als straks alles wegvalt wat ik weet en kan — mijn inzichten, mijn prestaties, ook mijn geestelijke — wat houd ik dan over? En leef ik nu al voor dat ene dat blijft, of vooral voor de dingen die zullen ophouden?
God, die zelf de Liefde bent,
vergeef mij dat ik zo vaak bouw op wat voorbijgaat —
op wat ik weet, kan en presteer.
Leer mij te leven voor het ene dat blijft.
Maak mij nu al thuis in uw wereld van liefde,
zodat ik, als alles wegvalt, U overhoud,
die alles in allen zijt. Amen.
Dat de gaven ophouden maar de liefde blijft — dat zij het enige is dat meegaat tot in de eeuwigheid — licht telkens weer op in de Schrift en de geschiedenis van de kerk.
Aan het slot van zijn preken over 1 Korinthe 13 tekende Edwards de hemel niet als een plaats van kennis of glans, maar als een wereld van liefde. Daar houden de gaven op — ze waren maar hulpmiddelen voor onderweg — en blijft alleen de liefde, omdat God, die liefde is, daar alles in allen is.
Terwijl Martha zich druk maakte met van alles, zat Maria stil aan Jezus’ voeten te luisteren. En toen Martha klaagde, zei Jezus: Maria heeft het goede deel gekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen. Al het drukke gaat voorbij; de liefdevolle aandacht voor Hem blijft.
De wereld gaat voorbij met al haar begeerte, schrijft Johannes, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid. Twee soorten leven, twee bestemmingen: het ene vergaat met de dingen waaraan het hangt, het andere deelt in wat eeuwig is. De liefde hoort bij het tweede.
Hemel en aarde zullen voorbijgaan, zei Jezus, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan. Zelfs het meest vaste dat wij kennen — de sterren, de bergen — is tijdelijk. Wat God spreekt en wat uit zijn liefde voortkomt, blijft, als al het zichtbare allang vergaan is.
Een rijke man had zo’n overvloedige oogst dat hij grotere schuren bouwde en tegen zichzelf zei: rust nu, eet, drink, wees vrolijk. Maar God zei: dwaas, deze nacht wordt je ziel opgeëist — voor wie is dan wat je hebt verzameld? Hij had het vergankelijke opgestapeld en het blijvende gemist.
De jonge zendeling Jim Elliot, die zijn leven zou geven op het zendingsveld, schreef in zijn dagboek: hij is geen dwaas die opgeeft wat hij niet kan behouden, om te winnen wat hij niet kan verliezen. Wie zijn hart zet op de liefde die blijft, geeft alleen maar op wat toch al voorbijging.
Charles Wesley, een tijdgenoot van Edwards, dichtte in 1747 deze geliefde hymne over de goddelijke liefde die ‘alle liefde overtreft’ — die uit de hemel neerdaalt en de gelovige omvormt ‘van heerlijkheid tot heerlijkheid’. Zij eindigt waar Edwards’ preken over dit hoofdstuk eindigden: in de hemel als een wereld van liefde, waar wij, ‘verloren in verwondering, liefde en lof’, onze kronen voor God neerwerpen.
Love divine, all loves excelling,
joy of heaven, to earth come down,
fix in us thy humble dwelling,
all thy faithful mercies crown;
Jesus, thou art all compassion,
pure, unbounded love thou art;
visit us with thy salvation,
enter every trembling heart.
Finish then thy new creation,
pure and spotless let us be;
let us see thy great salvation
perfectly restored in thee:
changed from glory into glory,
till in heaven we take our place,
till we cast our crowns before thee,
lost in wonder, love, and praise.
Liefde goddelijk, alle liefde overtreffend,
vreugde van de hemel, op aarde neergedaald,
vestig in ons uw nederige woning,
bekroon ons met al uw trouwe erbarmen;
Jezus, U bent enkel mededogen,
zuivere, grenzeloze liefde bent U;
bezoek ons met uw heil,
kom binnen in elk bevend hart.
Voltooi dan uw nieuwe schepping;
laat ons zuiver en vlekkeloos zijn;
laat ons uw grote redding zien,
volmaakt in U hersteld:
van heerlijkheid tot heerlijkheid veranderd,
tot wij in de hemel onze plaats innemen,
tot wij onze kronen voor U neerwerpen,
verloren in verwondering, liefde en lof.