← Teksten & Meditaties

Geloven, wandelen, vriend zijn

De verhouding tussen geloven in God, wandelen met God en vriendschap met God — een exegetische en bijbels-theologische uiteenzetting

Reinoud Koning (met Claude) · 30 september 2026 · e-book (EPUB)

Drie woorden voor één verhouding

De Bijbel heeft verschillende woorden voor de omgang tussen God en mens. Drie ervan keren telkens terug en lijken elkaar te zoeken. Abraham geloofde de HEER, en dat werd hem tot gerechtigheid gerekend (Genesis 15:6). Henoch wandelde met God, en hij was er niet meer, want God had hem weggenomen (Genesis 5:24). En Abraham wordt vriend van God genoemd (Jesaja 41:8; 2 Kronieken 20:7; Jakobus 2:23), zoals God met Mozes sprak “zoals iemand met zijn vriend spreekt” (Exodus 33:11).

Deze drie, geloven, wandelen en vriendschap, zijn geen synoniemen. Ze beschrijven dezelfde verhouding vanuit een andere hoek. Geloven gaat over vertrouwen en vastigheid. Wandelen gaat over de weg, over tijd en richting, over het leven dat in beweging is. Vriendschap gaat over wederkerigheid en vertrouwelijkheid: over een God die zijn plannen deelt en een mens die mag terugspreken.

Twee teksten uit het Nieuwe Testament leggen de verbinding zelf. Jakobus 2:23 zet geloof en vriendschap in één zin: “Abraham geloofde God, en het werd hem als gerechtigheid toegerekend, en hij werd een vriend van God genoemd.” Hebreeën 11:5–6 zet wandelen en geloof naast elkaar: Henoch “ontving het getuigenis dat hij God welgevallig was geweest. Zonder geloof is het onmogelijk God te behagen.” Deze uiteenzetting gaat na hoe de drie in de Schrift samenhangen, en wat joodse, vroegchristelijke en mystieke lezers erin hebben gezien.

Dit stuk hoort bij de uiteenzetting over het voorbijgaan van God bij Mozes, Elia en Job (“Hij gaat voorbij”). Daar ging het over de God die zich niet laat vasthouden. Hier gaat het over de mens die met die God onderweg is.

De bijbelteksten

De teksten waar deze uiteenzetting op steunt, in de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV21). In de lopende tekst zijn de bijbelcitaten soms in eigen vertaling of in een andere vertaling weergegeven; verwijzingen naar deze teksten zijn aanklikbaar.

Teksten over geloven

Abram vertrouwt op de HEERGenesis 15:1–6

1 Niet lang daarna richtte de HEER zich tot Abram in een visioen: ‘Wees niet bang, Abram: Ikzelf zal een schild voor je zijn. Je loon zal vorstelijk zijn.’ 2 ‘HEER, mijn God,’ antwoordde Abram, ‘wat voor zin heeft het mij te belonen? Ik zal kinderloos sterven, en alles wat ik bezit zal het eigendom worden van Eliëzer uit Damascus. 3 U hebt mij immers geen nakomelingen gegeven; daarom zal een van mijn dienaren mijn erfgenaam worden.’ 4 Maar de HEER sprak opnieuw tot hem: ‘Nee, niet je dienaar zal jouw bezittingen erven, maar een kind dat jijzelf zult verwekken.’ 5 Daarop leidde Hij Abram naar buiten. ‘Kijk eens naar de hemel,’ zei Hij, ‘en tel de sterren, als je dat kunt.’ En Hij verzekerde hem: ‘Zo zal het ook zijn met jouw nakomelingen.’ 6 Abram vertrouwde op de HEER en deze rekende hem dit toe als rechtvaardigheid.

Wie niet vertrouwt, houdt geen standJesaja 7:9

8–9 Immers, het hoofd van Aram is Damascus, en het hoofd van Damascus is die Resin; het hoofd van Efraïm is Samaria, en het hoofd van Samaria is die zoon van Remaljahu. Trouwens, nog vijfenzestig jaar en het volk van Efraïm bestaat niet meer. Maar als jullie geen vertrouwen hebben, houden jullie geen stand.”’

Teksten over wandelen

HenochGenesis 5:21–24

21 Toen Henoch 65 jaar was, verwekte hij Metuselach. 22 Na de geboorte van Metuselach leefde Henoch nog 300 jaar, in verbondenheid met God. Hij verwekte zonen en dochters. 23 In totaal leefde hij 365 jaar. 24 Henoch leefde in verbondenheid met God. Op een dag was hij er niet meer, doordat God hem wegnam.

NoachGenesis 6:9

9 Dit is de geschiedenis van Noach en zijn nakomelingen. Noach was een rechtschapen man; hij was in zijn tijd de enige die een onberispelijk leven leidde, in verbondenheid met God.

Abram: leef in verbondenheid met MijGenesis 17:1–2

1 Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen de HEER aan hem en zei: ‘Ik ben God, de Ontzagwekkende. Richt je steeds naar mijn wil en leid een onberispelijk leven. 2 Ik wil met jou een verbond aangaan en Ik zal je veel, heel veel nakomelingen geven.’

Wat de HEER van je vraagtMicha 6:6–8

6 ‘Wat kan ik de HEER aanbieden,waarmee hulde brengen aan de verheven God?Moet ik Hem tegemoet treden met brandoffers,zou Hij eenjarige stieren aanvaarden?7 Kan ik Hem gunstig stemmen met duizenden rammen,met olie, stromend in tienduizend beken?Moet ik mijn eerstgeborene geven voor wat ik heb misdaan,de vrucht van mijn schoot voor mijn zondig leven?’8 Er is jou, mens, gezegd wat goed is,je weet wat de HEER van je wil:niets anders dan recht te doen, trouw te betrachtenen nederig de weg te gaan van je God.

Henoch en het geloofHebreeën 11:5–6

5 Door zijn geloof werd Henoch naar elders overgebracht, om niet te hoeven sterven; hij werd niet meer gevonden, omdat God hem had weggenomen. Hij stond immers al vóór zijn opneming bekend als iemand die God welgevallig was. 6 Zonder geloof is het onmogelijk God vreugde te geven; wie Hem wil naderen moet immers geloven dat Hij bestaat en dat Hij beloont wie Hem zoeken.

Wandelen in het Nieuwe Testament2 Korintiërs 5:7; Galaten 5:16; Efeziërs 5:2; 1 Johannes 1:7

2 Korintiërs 5:7

7 We leven nu immers vanuit vertrouwen, zonder al echt te zien.

Galaten 5:16

16 Ik zeg u dus: laat u leiden door de Geest, dan zult u niet toegeven aan aardse begeerten.

Efeziërs 5:2

2 en ga de weg van de liefde, zoals Christus deed, die ons heeft liefgehad en zich voor ons gegeven heeft als offer, als een geurige gave voor God.

1 Johannes 1:7

7 Maar gaan we onze weg in het licht, zoals Hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde.

Teksten over vriendschap

God bij Abraham te gastGenesis 18:1–3, 16–19

Genesis 18:1–3

1 De HEER verscheen opnieuw aan Abraham, bij de eiken van Mamre. Op het heetst van de dag zat Abraham in de ingang van zijn tent. 2 Toen hij opkeek, zag hij even verderop plotseling drie mannen staan. Onmiddellijk snelde hij de tent uit, naar hen toe. Hij boog diep 3 en zei: ‘Heer, wees toch zo goed uw dienaar niet voorbij te gaan.

Genesis 18:16–19

16 Toen de mannen weer verdergingen, lieten ze hun blik op Sodom rusten. Abraham liep met hen mee om hun uitgeleide te doen. 17 De HEER dacht: Waarom zou Ik voor Abraham geheimhouden wat Ik van plan ben? 18 Uit Abraham zal immers een groot en machtig volk voortkomen, en in hem zullen alle volken op aarde gezegend worden. 19 Want Ik heb hem uitgekozen, hij moet zijn zonen en zijn verdere nakomelingen voorhouden de weg te volgen die Ik wijs, door rechtvaardig en goed te handelen. Alleen dan zal Ik verwezenlijken wat Ik Abraham heb toegezegd.

Abraham, Gods vriend2 Kronieken 20:7; Jesaja 41:8–10

2 Kronieken 20:7

7 U, onze God, hebt de vroegere inwoners van dit land voor uw volk Israël verdreven en het voor altijd aan de nakomelingen van uw vriend Abraham toebedeeld.

Jesaja 41:8–10

8 Maar jou, Israël, mijn dienaar,Jakob, die Ik uitgekozen heb,nakomeling van Abraham, mijn vriend,9 jou die Ik heb weggehaald van de einden der aarde,die Ik van haar verste uithoeken terugriep –jou zeg Ik: Jij bent mijn dienaar,jou heb Ik uitgekozen, Ik heb je niet afgewezen.10 Wees niet bang, want Ik ben bij je,vrees niet, want Ik ben je God.Ik zal je sterken, Ik zal je helpen,je steunen met mijn bevrijdende rechterhand.

Mozes en God, als vriendenExodus 33:7–23

7 Mozes sloeg steeds buiten het kamp, op ruime afstand ervan, een tent op; hij noemde die tent de ontmoetingstent. Ieder die de HEER wilde raadplegen, ging naar de ontmoetingstent buiten het kamp. 8 Telkens als Mozes zich erheen begaf, gingen allen voor de ingang van hun tent staan en keken Mozes na tot hij naar binnen was gegaan. 9 Zodra hij in de tent was daalde de wolkkolom neer, en deze bleef bij de ingang staan. Dan sprak de HEER met Mozes. 10 Wanneer het volk de wolkkolom bij de ingang van de tent zag staan, boog ieder zich voor de ingang van zijn tent neer. 11 De HEER sprak persoonlijk met Mozes, zoals iemand spreekt met een vriend. Daarna keerde Mozes terug naar het kamp, maar zijn jonge dienaar Jozua, de zoon van Nun, verliet de tent niet.

12 Mozes zei tegen de HEER: ‘U draagt mij wel op het volk verder te laten trekken, maar U hebt mij niet laten weten wie U met mij mee zult sturen, terwijl U toch gezegd hebt: “Jou heb Ik uitgekozen, jou ben Ik goedgezind.” 13 Als dat werkelijk zo is, laat mij dan weten wat uw plannen zijn. Dan leer ik U kennen en weet ik zeker dat U mij goedgezind bent. Vergeet toch niet dat deze mensen uw volk zijn.’ 14 De HEER antwoordde: ‘Moet Ik dan zelf meegaan om je gerust te stellen?’ 15 Mozes zei: ‘Als U niet zelf meegaat, laat ons dan niet verder trekken. 16 Hoe zou moeten blijken dat U mij goedgezind bent, mij en ook uw volk, tenzij U met ons meegaat? Alleen dan nemen wij immers een bijzondere plaats in onder de volken die de aarde bewonen.’ 17 De HEER zei tegen Mozes: ‘Ik verzeker je dat Ik zal doen wat je vraagt, want Ik ben je goedgezind en Ik heb je uitgekozen.’

18 ‘Laat mij toch uw majesteit zien,’ zei Mozes. 19 Hij antwoordde: ‘Ik zal in mijn volle luister voor je langs gaan en in jouw bijzijn de naam HEER uitroepen: Ik schenk genade aan wie Ik genade wil schenken, en Ik ben barmhartig voor wie Ik barmhartig wil zijn. 20 Maar,’ zei Hij, ‘mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.’ 21 Toen sprak de HEER: ‘Er is een plaats op de rots waar je dicht bij Mij kunt komen staan. 22 Als dan mijn majesteit voor je langs gaat, zal Ik je in een kloof laten schuilen en mijn hand beschermend voor je houden tot Ik voorbij ben. 23 Als Ik mijn hand weghaal, zul je Mij van achteren zien; mijn gezicht mag niemand zien.’

Van mond tot mondNumeri 12:5–8

5 Toen daalde de HEER af in de wolkkolom, ging bij de ingang van de tent staan en riep Aäron en Mirjam. Nadat zij beiden naar voren waren gekomen, 6 zei Hij: ‘Luister goed. Als er bij jullie een profeet van de HEER is, maak Ik mij in visioenen aan hem bekend en spreek Ik met hem in dromen. 7 Maar met mijn dienaar Mozes, op wie Ik volledig kan vertrouwen, ga Ik anders om: 8 met hem spreek Ik rechtstreeks, duidelijk, niet in raadsels, en hij aanschouwt mijn gestalte. Hoe durven jullie dan aanmerkingen op mijn dienaar Mozes te maken?’

Gods vertrouwelijke omgangPsalm 25:14; Spreuken 3:32; Amos 3:7

Psalm 25:14

14 De HEER is een vriend van wie Hem vrezen,Hij maakt hen vertrouwd met zijn verbond.

Spreuken 3:32

32 want de HEER verafschuwt wie dat dwaalspoor gaat,maar wie rechtschapen is geeft Hij zijn vertrouwen.

Amos 3:7

7 Zo doet God, de HEER, niets zonder dat Hij zijn plan heeft onthuld aan zijn dienaren, de profeten.

Job: toen God mijn vriend wasJob 29:2–5

2 ‘Was alles maar als in de dagen van weleer,als in de dagen dat God over mij waakte,3 in de tijd dat zijn lamp boven mij scheenen mijn weg door het donker verlichtte,4 in de tijd dat ik de kracht van de jeugd bezat,met het vertrouwde gezelschap van God in mijn huis,5 toen de Ontzagwekkende met mij verkeerdeen mijn kinderen bij mij waren,

Wijsheid maakt vrienden van GodWijsheid 7:27

27 Ze is één maar kan alles, ze is onveranderlijk maar vernieuwt alles. Ze gaat over op elk volgend geslacht van vrome mensen en maakt hen tot vrienden van God, en tot profeten.

Niet langer knechten, maar vriendenJohannes 15:9–17

9 Ik heb jullie liefgehad, zoals de Vader Mij heeft liefgehad. Blijf in mijn liefde: 10 je blijft in mijn liefde als je je aan mijn geboden houdt, zoals Ik me ook aan de geboden van mijn Vader gehouden heb en in zijn liefde blijf. 11 Dit zeg Ik tegen jullie om je mijn vreugde te geven, dan zal je vreugde volkomen zijn. 12 Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben zoals Ik jullie heb liefgehad. 13 Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden. 14 Jullie zijn mijn vrienden wanneer je doet wat Ik zeg. 15 Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem Ik jullie, omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb. 16 Jullie hebben niet Mij uitgekozen, maar Ik jullie, en Ik heb jullie opgedragen om op weg te gaan en vrucht te dragen, blijvende vrucht. Dan zal de Vader je alles geven wat je Hem in mijn naam vraagt. 17 Dit draag Ik jullie op: heb elkaar lief.

Geloof, werken en vriendschapJakobus 2:21–23

21 Werd onze voorvader Abraham niet rechtvaardig verklaard om wat hij deed toen hij zijn zoon Isaak op het altaar wilde offeren? 22 U ziet hoe geloof en handelen daar hand in hand gaan, en hoe het geloof ten volle verwezenlijkt wordt in daden. 23 Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: ‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem als rechtvaardigheid toegerekend.’ Hij wordt zelfs Gods vriend genoemd.

Geloven

Het Hebreeuwse he’emin

Het Hebreeuwse werkwoord voor geloven is he’emin (הֶאֱמִין), de causatieve vorm van de stam ’aman. De grondbetekenis van die stam is vast zijn, betrouwbaar zijn, dragen. Het woord omen is een voedster of verzorger die een kind draagt (Numeri 11:12). De deurposten van de tempel “wankelden” niet, zij waren ’amanot (2 Koningen 18:16). Het woord ’emet, waarheid of trouw, en ’emunah, trouw of standvastigheid, komen uit dezelfde stam, net als het amen waarmee Israël en de kerk hun gebeden bevestigen.

He’emin betekent dus: zich laten dragen, zich vastmaken aan iets wat vast is, iets of iemand voor betrouwbaar houden. Wie gelooft, zegt amen op God. De mooiste illustratie is het woordspel in Jesaja 7:9: ’im lo ta’aminu ki lo te’amenu, “als u niet gelooft, zult u geen vastheid hebben”, of vrijer: “wie zich niet vastmaakt, raakt niet vast”. Geloven is in het Hebreeuws in de eerste plaats vertrouwen, niet het voor waar houden van leerstellingen.

Genesis 15:6

15:5 Hij bracht hem naar buiten en zei: Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als je ze kunt tellen. En Hij zei tegen hem: Zo zal je nageslacht zijn.
6 En hij geloofde (we-he’emin) in de HEER, en Hij rekende het hem als gerechtigheid (tsedaqah).

Het vers is kort en vol vragen. Wie rekent wat aan wie? De gangbare lezing (en die van Paulus) is: God rekende Abrams geloof hem als gerechtigheid toe. Een aantal joodse uitleggers (zoals Ramban) leest het omgekeerd: Abram rekende het de HEER als gerechtigheid, dat wil zeggen als trouw van God, dat Hij hem zo’n belofte deed. Beide lezingen zijn grammaticaal mogelijk.

Belangrijker is de plaats van het vers in het verhaal. Abram gelooft op het moment dat er nog niets te zien is. Hij is oud, hij heeft geen kind, en God laat hem de sterren tellen. Geloven is hier: zich vastmaken aan een belofte die nog niet vervuld is. Direct daarna volgt het verbond tussen de stukken, waarin een rokende oven en een vurige fakkel tussen de dieren door gaan (15:17). Het geloof van Abram wordt beantwoord doordat God zelf de weg gaat, de verbondsweg: het werkwoord is ’avar, voorbijgaan. Het geloof opent de weg; God loopt hem.

Geloof in het Nieuwe Testament

De Septuaginta vertaalt he’emin met pisteuein, en zo komt het woord in het Nieuwe Testament terecht. Paulus maakt van Genesis 15:6 de sleuteltekst van zijn verkondiging: Abraham werd gerechtvaardigd door geloof, nog voordat hij besneden was en lang voordat er een wet was (Romeinen 4; Galaten 3:6–9). Hebreeën 11 definieert geloof als “vaste grond (hypostasis) van wat men hoopt, bewijs van dingen die men niet ziet” (11:1), en laat daarop een rij geloofsgetuigen volgen die allemaal onderweg zijn: Abel, Henoch, Noach, Abraham, Sara, Mozes.

Jakobus gebruikt hetzelfde vers anders. Voor hem wordt het geloof van Abraham pas voltooid in zijn daad, het offer van Isaak (Genesis 22): “U ziet dat het geloof samenwerkte met zijn werken, en dat door de werken het geloof volkomen werd. Zo is de Schrift vervuld die zegt: Abraham geloofde God … en hij werd een vriend van God genoemd” (Jakobus 2:22–23). Bij Jakobus is geloof dus een weg die ergens naartoe loopt. Het begint bij het vertrouwen van Genesis 15, gaat door de beproeving van Genesis 22 en eindigt in vriendschap.

Twee soorten geloof?

Martin Buber heeft in Twee geloofswijzen (Zwei Glaubensweisen, 1950) onderscheid gemaakt tussen ’emunah, het Hebreeuwse vertrouwen dat zich in een verhouding bevindt, en pistis, het Griekse geloof dat iets voor waar houdt. Het eerste is het geloof van Israël, het tweede zou volgens Buber via Paulus het christendom zijn gaan bepalen. Het onderscheid is aangevochten: ook bij Paulus is pistis in de eerste plaats vertrouwen en trouw, en ook in Israël is geloof niet zonder inhoud.1 Maar Bubers onderscheid helpt om te zien wat er in dit stuk op het spel staat. Wie geloof alleen als overtuiging opvat, maakt er iets statisch van. Wie het als vertrouwen opvat, ziet dat het een verhouding is. En een verhouding heeft tijd en beweging nodig: zij wordt gewandeld.

Wandelen

Het Hebreeuwse halakh en hithallekh

Het gewone werkwoord voor gaan of lopen is halakh. In verband met God staat vaak de wederkerende vorm hithallekh: heen en weer gaan, rondwandelen, zich bewegen. Het is een werkwoord zonder haast en zonder vaste bestemming: het wandelen van iemand die ergens thuis is.

Het eerste gebruik in de Bijbel is verrassend: niet de mens wandelt, maar God. Adam en Eva horen “het geluid van de HEER God, die in de tuin wandelde (mithallekh) bij de avondwind” (Genesis 3:8). God wandelt in zijn tuin, zoals een eigenaar ’s avonds rondloopt, en zoekt de mens: “Waar ben je?” Het wandelen met God begint als iets wat God doet, en de mens verbergt zich. Wanneer het daarna van mensen wordt gezegd, is het alsof het verloren wandelen van de tuin wordt hersteld.

God belooft hetzelfde aan Israël: “Ik zal in uw midden wandelen (hithallakhti), Ik zal uw God zijn en u zult mijn volk zijn” (Leviticus 26:12; geciteerd in 2 Korintiërs 6:16). Het wandelen van God in de tuin wordt het wandelen van God in het kamp, en ten slotte in de gemeente.

Henoch (Genesis 5:21–24)

5:21 Henoch leefde vijfenzestig jaar en verwekte Metusalach.
22 En Henoch wandelde met God (wayyithallekh … ’et-ha-’Elohim), nadat hij Metusalach verwekt had, driehonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochters.
23 En al de dagen van Henoch waren driehonderdvijfenzestig jaar.
24 En Henoch wandelde met God, en hij was er niet meer, want God had hem weggenomen (laqach).

In het geslachtsregister van Genesis 5 eindigt elke naam met “en hij stierf”. Bij Henoch niet. Hij wandelde met God, en toen was hij er niet meer. Het werkwoord laqach, nemen, is hetzelfde als bij Elia’s hemelvaart (2 Koningen 2:3, 5, 9–10). Henoch is de eerste mens in de Bijbel die niet sterft, en de reden die de tekst geeft is zijn wandel.

Het getal 365 heeft uitleggers altijd beziggehouden: een leven zo lang als het jaar van de zon, een volle cyclus. Opvallender is dat het wandelen twee keer wordt genoemd, en dat het de eerste keer wordt verbonden met het gewone leven: Henoch wandelde met God en verwekte zonen en dochters. Het wandelen met God gebeurde niet in afzondering, maar in het gezinsleven. De tekst zegt niet wat Henoch deed, alleen met wie hij ging.

De Griekse vertaling: “hij behaagde God”

De Septuaginta vertaalt “Henoch wandelde met God” niet letterlijk, maar met euērestēsen Henōch tō theō: “Henoch behaagde God” of “was God welgevallig”. Waarschijnlijk wilde de vertaler de beeldspraak vermijden, en mogelijk ook de gedachte dat een mens naast God zou lopen. Dat heeft grote gevolgen gehad. De Wijsheid van Salomo (4:10–14) en Jezus Sirach (44:16) spreken over Henoch als iemand die “God welgevallig was” en “werd weggenomen”. En Hebreeën 11:5–6 bouwt er een redenering op:

Door het geloof is Henoch weggenomen om de dood niet te zien, en hij werd niet meer gevonden, omdat God hem had weggenomen. Want vóór zijn wegneming heeft hij het getuigenis ontvangen dat hij God welgevallig was geweest. Zonder geloof is het onmogelijk God te behagen. Want wie tot God gaat, moet geloven dat Hij bestaat en dat Hij beloont wie Hem zoeken.

Hebreeën leest in “Henoch wandelde met God” dus: hij behaagde God. En omdat men God niet kan behagen zonder geloof, moet Henoch geloofd hebben. Via de Griekse vertaling wordt het wandelen met God uitgelegd als geloof. Voor de verhouding tussen de drie woorden is dat een sleutel: wandelen is geloof in de tijd, geloof is het wandelen van binnenuit gezien.

Noach en Abraham: mét God en vóór God

Van Noach wordt hetzelfde gezegd: “Noach was een rechtvaardig man, onberispelijk onder zijn tijdgenoten; Noach wandelde met God” (Genesis 6:9). Tegen Abraham zegt God iets anders: “Wandel voor mijn aangezicht (hithallekh lefanay) en wees onberispelijk” (Genesis 17:1). Jakob zegt later, als hij zijn kleinzonen zegent: “de God voor wiens aangezicht mijn vaders Abraham en Isaak gewandeld hebben, de God die mij als herder geleid heeft” (48:15).

De rabbijnen hebben het verschil tussen “met God” en “voor God” opgemerkt. In Genesis Rabba (30:10) vergelijkt Rabbi Jehoeda het met een koning die twee zonen heeft: tegen de jongste zegt hij “loop met mij mee”, tegen de oudste “loop voor mij uit”. Rabbi Nechemja vertelt een gelijkenis over een vriend van een koning die in het slijk wegzakt; de koning zegt: “Loop met mij mee, in plaats van weg te zakken”. Noach had God nodig om hem overeind te houden; Abraham kon vooruit lopen, en God keek van achteren toe. Rasji vat het samen: “Noach had steun nodig om hem in zijn rechtvaardigheid overeind te houden; Abraham putte kracht uit zichzelf en wandelde in zijn rechtvaardigheid uit eigen beweging.”2

Dat hoeft geen waardeoordeel te zijn. Het beschrijft twee manieren van met God gaan: aan de hand, en onder zijn oog. Beide zijn wandelen, en beide zijn vertrouwen. Opvallend is dat in de gelijkenis van Rabbi Nechemja de koning spreekt tegen zijn vriend (’ohavo): het wandelen met God wordt hier al in de taal van vriendschap verteld.

Micha 6:8: de samenvatting van de Tora

Er is u gezegd, mens, wat goed is, en wat de HEER van u vraagt: niets anders dan recht doen, trouw liefhebben (‘ahavat chesed) en ootmoedig gaan (hatsnea’ lekhet) met uw God.

Micha vat de hele Tora samen in drie woorden, en het laatste is een wandelwoord. Hatsnea’ betekent bescheiden, behoedzaam, zonder vertoon. Het wandelen met God wordt hier verbonden met recht en trouw: het is geen vroom gevoel, maar een manier van leven die zich laat zien in hoe men met mensen omgaat. De Talmoed noemt Micha 6:8 als een van de teksten waarin de 613 geboden worden samengevat (Makkot 24a).

Achter God aan: Sota 14a

Deuteronomium 13:5 zegt: “De HEER, uw God, moet u volgen (achrei … telekhu, letterlijk: achter Hem aan gaan).” De Talmoed vraagt: hoe kan een mens achter God aan gaan? Er staat toch ook: “de HEER, uw God, is een verterend vuur” (Deuteronomium 4:24)? Het antwoord van Rabbi Chama bar Chanina: ga achter zijn eigenschappen aan. Zoals Hij naakten kleedt, want Hij kleedde Adam en Eva (Genesis 3:21), kleed ook jij de naakten. Zoals Hij zieken bezoekt, want Hij bezocht Abraham (Genesis 18:1), bezoek ook jij de zieken. Zoals Hij rouwenden troost, want Hij zegende Isaak na de dood van Abraham (25:11), troost ook jij de rouwenden. Zoals Hij de doden begraaft, want Hij begroef Mozes (Deuteronomium 34:6), begraaf ook jij de doden.3

Hier wordt het wandelen met God tot navolging. Het sluit aan bij Maimonides’ uitleg van de “rug van God” in Exodus 33: wie God niet in het gezicht kan zien, kan wel achter zijn daden aan gaan. En het verbindt het wandelen met Genesis 18: God die bij Abraham op ziekenbezoek gaat (zo leest de midrasj Genesis 18:1, drie dagen na Abrahams besnijdenis). Het wandelen met God is het wandelen van de gastvrijheid.

Uit het werkwoord halakh is ook het woord halakha voortgekomen: de joodse leefregel, letterlijk “de gang”, “de manier van lopen”. In het jodendom is geloof in de eerste plaats een manier van gaan.

Wandelen in het Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament wordt “wandelen” (peripatein) het gewone woord voor het christelijk leven, vooral bij Paulus en Johannes:

De evangeliën vertellen het wandelen met God als het volgen van Jezus. “Volg Mij” is het eerste woord aan de discipelen (Marcus 1:17). En het mooiste wandelverhaal is dat van de Emmaüsgangers (Lucas 24:13–35): twee mensen lopen met Jezus zonder Hem te herkennen. Pas bij het breken van het brood gaan hun ogen open, en dan is Hij weg. Achteraf zeggen ze: “Brandde ons hart niet toen Hij onderweg met ons sprak?” Het wandelen met God wordt pas achteraf herkend, net als het zien van zijn rug.

Vriendschap

Drie Hebreeuwse woorden

Het Hebreeuws heeft geen apart woord voor “vriendschap”, maar drie woorden die in verband met God gebruikt worden:

Vriendschap met God is in de Schrift dus: liefde, nabijheid in gesprek, en gedeeld geheim.

Abraham, de vriend

Waarom heet Abraham de vriend van God? De teksten die hem zo noemen, zeggen het niet. Maar het verhaal wijst in de richting van Genesis 18. Daar komt God bij Abraham op bezoek bij de eiken van Mamre, en eet onder zijn boom. En daarna overlegt God met zichzelf: “Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?” (18:17). God deelt zijn plan over Sodom met Abraham, en Abraham gaat met God in gesprek: “Zou de rechter van heel de aarde geen recht doen?” (18:25). Dat is vriendschap: God deelt zijn sod, en de vriend mag terugspreken, onderhandelen, pleiten.

De joodse filosoof Philo van Alexandrië (ca. 20 v.C.–50 n.C.) citeert Genesis 18:17 in de vorm: “Zal Ik iets verbergen voor Abraham, mijn vriend?”, waar de Septuaginta “mijn knecht” heeft. Of Philo zelf de tekst heeft aangepast of een andere tekst kende, is onzeker; in elk geval benadrukt hij daarmee dat de wijze meer een vriend dan een knecht van God is.4 In de latere joodse en islamitische traditie is “de vriend van God” de vaste bijnaam van Abraham geworden: in het Arabisch al-Khalil, waarnaar de stad Hebron (al-Khalil) met het graf van Abraham genoemd is.

Mozes, de vriend die niet mocht kijken

Mozes is de tweede vriend van God. God spreekt met hem “van mond tot mond” (Numeri 12:8), “van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand met zijn vriend spreekt” (Exodus 33:11). Maar in hetzelfde hoofdstuk zegt God: “mijn aangezicht zul je niet kunnen zien” (33:20). De vriendschap met God heft de afstand niet op. Mozes mag met God spreken als met een vriend, maar hij ziet Hem alleen van achteren. Dat is het punt waar dit stuk en de uiteenzetting over het voorbijgaan van God elkaar raken: de vriendschap met God bestaat in de openheid van het gesprek, niet in het bezitten van het zicht.

Ook bij Mozes blijkt de vriendschap in de voorbede. Hij pleit voor het volk, weerspreekt God, en durft te zeggen: “Als uw aangezicht niet meegaat, laat ons dan niet van hier vertrekken” (33:15). Hij vraagt God mee te wandelen. Hier komen de drie woorden samen: de vriend vraagt God mee op weg te gaan, en vertrouwt erop dat Hij dat doet.

Job: de vriend die zijn vriend kwijt is

Het boek Job is ook een boek over vriendschap. Drie vrienden komen hem troosten, maar spreken over God in plaats van tot God. Job herinnert zich de tijd van de vertrouwelijke omgang met God (29:4) als iets wat voorbij is. En in 16:20–21 zegt hij: “Mijn vrienden bespotten mij; tot God druppelt mijn oog, dat Hij recht verschaffe aan een man tegenover God, zoals een mensenkind voor zijn vriend (re’ehu).” Job verlangt naar iemand die voor hem pleit zoals een mens voor zijn vriend pleit. Aan het eind blijkt Job de ware vriend van God te zijn geweest: hij heeft “juist over Mij gesproken”, zegt God, anders dan de vrienden (42:7). En dan bidt Job voor zijn vrienden (42:10). Wie vriend is van God, mag Hem ook verwijten maken, zolang hij tot Hem blijft spreken.

Wijsheid 7:27

In het Grieks-joodse boek de Wijsheid van Salomo (1e eeuw v.C.) staat over de goddelijke Wijsheid: “Van geslacht op geslacht gaat zij over in heilige zielen en maakt hen tot vrienden van God (philous theou) en profeten” (7:27). Hier wordt de vriendschap met God iets wat de Wijsheid in mensen bewerkt, van generatie op generatie. Het is de brug naar de proloog van Johannes, waar het Woord, dat in veel opzichten de trekken van de Wijsheid draagt, onder de mensen komt wonen.

Johannes 15: niet knechten, maar vrienden

15:13 Niemand heeft grotere liefde dan deze, dat iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden.
14 Jullie zijn mijn vrienden als je doet wat Ik jullie opdraag.
15 Ik noem jullie niet langer knechten, want een knecht weet niet wat zijn heer doet; maar jullie heb Ik vrienden genoemd, want alles wat Ik van mijn Vader gehoord heb, heb Ik jullie bekendgemaakt.
16 Niet jullie hebben Mij gekozen, maar Ik heb jullie gekozen.

Deze woorden staan in de afscheidsredes, na de voetwassing (Johannes 13), in de nacht waarin Jezus wordt overgeleverd. Wat maakt de leerlingen tot vrienden? Het criterium is hetzelfde als bij Abraham en in Amos 3:7: de vriend weet wat zijn heer doet, omdat het hem is verteld. Vriendschap is gedeelde kennis, de sod van God die met mensen wordt gedeeld.

Twee andere kenmerken zijn nieuw. Vriendschap wordt verbonden met het geven van het leven (15:13): de vriend is degene voor wie Jezus sterft. En het initiatief ligt geheel bij Jezus (15:16): het is geen vriendschap tussen gelijken, maar een vriendschap die wordt geschonken. Het “doen wat Ik jullie opdraag” (15:14) is dan geen voorwaarde om vriend te worden, maar de vorm die de vriendschap aanneemt: het gebod om elkaar lief te hebben (15:12, 17).

Elders heet Jezus “een vriend van tollenaars en zondaars” (Matteüs 11:19), een scheldnaam die de kerk als eretitel heeft overgenomen. Hij noemt Lazarus “onze vriend” (Johannes 11:11), en spreekt zelfs Judas bij het verraad aan met “vriend” (Matteüs 26:50, hetaire). De vriendschap van Jezus reikt tot aan wie haar breekt.

Kan een mens vriend van God zijn?

De Griekse filosofie had op die vraag een duidelijk antwoord: nee. Aristoteles schrijft in de Ethica Nicomachea dat vriendschap een zekere gelijkheid veronderstelt. Waar de afstand te groot is, zoals tussen mensen en goden, is vriendschap niet meer mogelijk (VIII, 7, 1158b–1159a).5 Philo, Clemens en Gregorius van Nyssa hebben de bijbelse vriendschap met God juist tegen deze achtergrond geformuleerd: wat voor de filosofen onmogelijk is, wordt mogelijk doordat God zelf de afstand overbrugt. In Johannes 15:16 staat het precies zo: niet jullie hebben Mij gekozen. Bij Thomas van Aquino zal het antwoord zijn: God deelt zijn eigen geluk met de mens, en op die gemeenschap (communicatio) kan een vriendschap worden gebouwd (zie hieronder).

De verhouding tussen de drie

Drie teksten die de verbinding leggen

Drie teksten leggen zelf de verbinding tussen de woorden, en samen vormen ze een driehoek:

Wortel, weg en vrucht

Men zou de drie kunnen zien als opeenvolgende fasen: eerst geloven, dan wandelen, ten slotte vriendschap. Iets daarvan zit in de teksten: Abraham gelooft in Genesis 15, wandelt voor Gods aangezicht in Genesis 17 en wordt als vriend in vertrouwen genomen in Genesis 18. Maar een schema van trappen doet de teksten geen recht. Noach wandelt met God zonder dat er van geloof of vriendschap sprake is; Mozes is al vriend van God en moet toch nog leren vertrouwen; Job is vriend van God en verliest het zicht op die vriendschap volledig.

Beter is het de drie te zien als drie dimensies van één verhouding:

Geloven Wandelen Vriendschap
Hebreeuws he’emin, ’emunah halakh, hithallekh ‘ohev, rea’, sod
Grieks pisteuein, pistis peripatein, euarestein (LXX) philos
Beeld zich vastmaken aan wat draagt onderweg zijn, samen gaan het gesprek, het gedeelde geheim
Kernfiguur Abraham (Genesis 15) Henoch, Noach (Genesis 5–6) Abraham (Genesis 18), Mozes (Exodus 33)
Nieuw Testament Romeinen 4; Hebreeën 11 2 Korintiërs 5:7; 1 Johannes 1:7 Johannes 15:13–15; Jakobus 2:23
Dimensie wortel: vertrouwen tijd: de weg wederkerigheid: de ontmoeting
Bedreiging twijfel, angst stilstand, afdwalen eenzaamheid, zwijgen

Geloven is de wortel. Zonder vertrouwen is er geen weg en geen vriendschap. Maar geloof dat niet op weg gaat, blijft een overtuiging zonder leven (Jakobus 2:17).

Wandelen is de weg. Het geloof krijgt vorm in de tijd, in het gewone leven (Henoch die zonen en dochters verwekte), in recht en trouw (Micha 6:8), in de werken van barmhartigheid (Sota 14a). Het wandelen is ook de plaats waar het geloof beproefd wordt: Abraham op weg naar Moria.

Vriendschap is de vrucht en het geheim. Zij voegt iets toe wat geloof en wandel niet vanzelf hebben: wederkerigheid. God vertelt wat Hij gaat doen, en de mens mag terugspreken. Abraham onderhandelt over Sodom, Mozes weerspreekt God, Job daagt Hem voor het gerecht. In de vriendschap krijgt de mens een stem.

De vriendschap bewaart de afstand

Vriendschap met God is niet hetzelfde als gelijkheid. Mozes, de vriend, ziet Gods aangezicht niet. Abraham, de vriend, wordt beproefd. Job, de vriend, moet door de nacht. Jezus noemt zijn leerlingen vrienden in de nacht waarin Hij verraden wordt. Juist in de vriendschap met God blijft de asymmetrie bestaan, en die maakt haar niet minder echt, maar wel anders dan menselijke vriendschap. De vriend van God is iemand die God vertrouwt zonder Hem te bezitten, die met Hem gaat zonder Hem vooruit te lopen, en die met Hem spreekt zonder altijd antwoord te krijgen.

Hier raken de twee uiteenzettingen elkaar. In “Hij gaat voorbij” bleek dat God zich laat kennen in het voorbijgaan: Mozes ziet zijn rug, Elia hoort een stilte, Job ziet niets. Voor de vriendschap met God betekent dat: de vriend van God is iemand die achter Hem aan gaat. Gregorius van Nyssa heeft het zo gezegd: God zien is God volgen. Wandelen met God en vriendschap met God vallen in die zin samen. Wie met God wandelt, loopt vaak achter Hem aan, en ziet zijn rug. Maar Hij is er.

Joodse uitleg

Henoch. De joodse traditie was dubbelzinnig over Henoch. De Aramese vertaling Onkelos zegt: “Henoch wandelde in de vreze van de HEER”, en vermijdt zo de gedachte dat een mens met God zou gaan. De Targum Pseudo-Jonathan maakt er iets groters van: Henoch wandelde in waarheid voor de HEER, en werd opgenomen in de hemel. In de apocalyptische literatuur (het Boek van Henoch, 3e–1e eeuw v.C.) groeit hij uit tot een hemelse schrijver en ziener. Maar in Genesis Rabba (25:1) is een rabbijnse stem kritisch: Henoch was nu eens rechtvaardig, dan weer goddeloos, en God nam hem weg terwijl hij rechtvaardig was, om te voorkomen dat hij terugviel.6 Vermoedelijk speelt verzet tegen de speculatie rond Henoch mee. Voor dit stuk is van belang dat de rabbijnen het wandelen met God als iets kwetsbaars zagen: het moet worden volgehouden.

Noach en Abraham. Zie hierboven bij Genesis Rabba 30:10 en Rasji bij Genesis 6:9.

Achter God aan. Zie hierboven bij Sota 14a. Het wandelen met God wordt navolging van zijn eigenschappen, en de eerste voorbeelden zijn daden van gastvrijheid en zorg.

Philo van Alexandrië. Philo gebruikt de term “vriend van God” voor Abraham en voor Mozes. Voor hem is de wijze de vriend van God, en de volmaakte vriendschap is die waarin de mens alleen God liefheeft om God zelf, en niet uit angst of om beloning.7

Maimonides. In het slot van de Gids der verdoolden (III, 51) beschrijft Maimonides de hoogste vorm van godsdienst: de liefde die voortkomt uit de kennis van God. Hij noemt de aartsvaders en Mozes als mensen bij wie het verstand voortdurend met God verbonden bleef, ook terwijl zij hun kudden hoedden en hun dagelijkse bezigheden deden. Hij verbindt dat met de uitdrukking “wandelen voor Gods aangezicht”. En in III, 54 eindigt hij met Jeremia 9:23–24: de mens moet zich beroemen in het kennen van God, die “liefde, recht en gerechtigheid” doet, en moet die eigenschappen navolgen.8

Devekut. Deuteronomium 11:22 zegt: “om de HEER, uw God, lief te hebben, in al zijn wegen te gaan en Hem aan te hangen (ledovqah bo).” Liefhebben, wandelen en aanhangen staan hier naast elkaar. Van davaq, aanhangen, kleven, komt het begrip devekut: de voortdurende gehechtheid aan God. In de Chassidische beweging (18e eeuw) werd devekut het hart van het geloof: in elke handeling, ook de meest alledaagse, verbonden blijven met God. Het is de joodse vorm van wat christelijke mystici de omgang met God noemen.

Abraham Joshua Heschel. Heschel spreekt in zijn werk van de “sprong van de daad” (leap of action): men gaat de gebodsweg niet omdat men al gelooft, maar men gaat hem om te leren geloven. “Wij zullen doen en wij zullen horen” (Exodus 24:7), zeggen de Israëlieten bij de Sinai, eerst doen, dan horen. In die volgorde komt het wandelen vóór het geloof, en wordt het geloof in het wandelen geleerd.9

Vroegchristelijke uitleg

Irenaeus. Irenaeus van Lyon noemt Abraham de vriend van God en benadrukt dat hij vrijwillig volgde, zonder dwang, uit de edelheid van zijn geloof. God had de vriendschap van Abraham niet nodig, maar gaf haar om Abraham het eeuwige leven te schenken: “de vriendschap van God schenkt onsterfelijkheid aan wie haar aanvaarden” (Adversus haereses IV, 13, 4).10 Hier wordt de lijn van Henoch zichtbaar: wie met God wandelt, gaat niet dood.

Clemens van Alexandrië. Clemens (ca. 200) beschrijft in de Stromata de volmaakte christen, die hij de “gnosticus” noemt, als een vriend van God. De gelovige begint als dienaar, groeit als zoon en wordt ten slotte vriend. Het is een vroege vorm van het schema van de drie fasen, waarin de vriendschap het doel van het geestelijk leven is.

Gregorius van Nyssa. Het Leven van Mozes eindigt met een verrassende conclusie. Na de hele weg van Mozes, van de braambos tot de berg Nebo, zegt Gregorius dat het doel van het deugdzame leven niet is: de straf ontlopen of de beloning verdienen, zoals een slaaf of een knecht. Het enige wat werkelijk te vrezen is, is het verlies van Gods vriendschap, en het enige wat werkelijk eer en verlangen waard is, is een vriend van God te worden. “Dit is de volmaaktheid van het leven” (II, 320).11 Voor Gregorius loopt de hele weg van de mens, het eindeloze volgen van God, uit op vriendschap.

Augustinus. In de Belijdenissen (VIII, 6, 15) vertelt Augustinus hoe Ponticianus hem vertelde over twee keizerlijke ambtenaren in Trier, die in een huis een boek vonden met het leven van Antonius. Een van hen las en zei tegen zijn vriend: “Wat willen wij eigenlijk bereiken? Vriend van de keizer worden? En hoe gevaarlijk is dat, en hoe lang duurt het. Maar een vriend van God, als ik het wil, word ik nu meteen.” Het verhaal was een van de aanleidingen tot Augustinus’ eigen bekering in de tuin in Milaan. De vriendschap met God is hier geen verre bekroning, maar een keuze die nu openstaat.12

Mystieke en latere uitleg

Aelred van Rievaulx. De Engelse cisterciënzer Aelred (1110–1167) schreef Over de geestelijke vriendschap (De spiritali amicitia), een dialoog in de vorm van Cicero’s Laelius. Hij waagt daarin een variatie op 1 Johannes 4:16: “God is vriendschap”, want “wie in vriendschap blijft, blijft in God, en God in hem” (I, 69–70). Voor Aelred is menselijke vriendschap een trede naar de vriendschap met God. Hij beschrijft hoe een kus tussen vrienden overgaat in de kus van Christus.13 Voor een cisterciënzer abt was dat ook een monastieke praktijk: de gemeenschap als school van vriendschap.

Thomas van Aquino. Thomas stelt in de Summa theologiae (II-II, vraag 23, artikel 1) de vraag of de liefde (caritas) vriendschap is. Zijn antwoord: ja, omdat vriendschap een wederkerige welwillendheid is die rust op een gemeenschap, en er is een gemeenschap tussen God en mens doordat God zijn eigen geluk met ons deelt. Hij citeert Johannes 15:15 en 1 Korintiërs 1:9 (“door God bent u geroepen tot de gemeenschap met zijn Zoon”).14 Daarmee beantwoordt Thomas het bezwaar van Aristoteles: de ongelijkheid wordt overbrugd doordat God zelf zijn goed deelt.

De Godsvrienden. In de veertiende eeuw ontstond in het Rijnland, de Elzas en Zwitserland een losse beweging van mensen die zich “vrienden van God” (Gottesfreunde) noemden, naar Johannes 15:15. Johannes Tauler en Heinrich Seuse, leerlingen van Meister Eckhart, stonden ermee in verbinding. Het waren leken, monniken en zusters die naast de kerkelijke structuur een innerlijk leven met God zochten, vaak in tijden van pest en kerkelijke verdeeldheid. Via Tauler en de Moderne Devotie heeft deze vroomheid ook de Nederlanden bereikt.

Teresa van Ávila. Teresa (1515–1582) heeft de bekendste definitie van het gebed gegeven in de taal van vriendschap. In haar Leven (Libro de la vida, 8, 5) schrijft zij dat inwendig gebed volgens haar niets anders is dan “vriendschappelijke omgang, en vaak alleen zijn met Hem van wie wij weten dat Hij ons liefheeft”. In het Spaans: tratar de amistad. Teresa’s hele leer over het gebed is een uitwerking van dit ene beeld: gebed is tijd doorbrengen met een vriend.15 Elders beschrijft zij Christus als de vriend die met ons meegaat, en adviseert ze hem in het gebed aan de zijde te nemen “als een goede vriend”.

De Quakers. Het Religieus Genootschap der Vrienden (Religious Society of Friends), in de zeventiende eeuw in Engeland ontstaan rond George Fox, ontleent zijn naam aan Johannes 15:14–15. Voor de Quakers werd de vriendschap met God de grond voor een gemeenschap zonder hiërarchie, met de stilte als kern van de eredienst. In hun stille samenkomsten ontmoeten twee lijnen elkaar: de stilte van Elia en de vriendschap van Johannes 15.

Frère Roger en Taizé. De gemeenschap van Taizé noemt de jaarlijkse ontmoetingen van jongeren een “pelgrimage van vertrouwen op aarde”. Frère Roger (1915–2005) heeft vertrouwen (confiance) steeds opnieuw als het hart van het geloof beschreven: niet een prestatie, maar een eenvoudig overgeven aan God, die “alleen maar kan liefhebben”. In die uitdrukking, pelgrimage van vertrouwen, komen geloven en wandelen samen. En Taizé zingt Teresa’s woorden Nada te turbe (“niets moge u verwarren”), een lied van vertrouwen van de vriendin van God.

Moderne stemmen. Jürgen Moltmann heeft in Kerk in de kracht van de Geest (1975) Jezus beschreven als de vriend van zondaars en tollenaars, en gepleit voor een “open vriendschap”: een vriendschap die niet exclusief is, maar gastvrij voor de vreemde. Dallas Willard noemde zijn boek over het horen van Gods stem Hearing God: Developing a Conversational Relationship with God (1984/1999): het doel van het geestelijk leven is een gesprek met God zoals tussen vrienden. En Henri Nouwen heeft in veel van zijn boeken de overgang beschreven van het leven als taak naar het leven als relatie, van knecht naar vriend.

Poëzie en liederen

De gedichten hieronder worden besproken en niet geciteerd. De titels zijn links naar de volledige tekst online; die pagina’s zijn van derden en kunnen veranderen.

Klassieke gedichten en liederen

Twintigste-eeuwse gedichten

Liederen uit het Liedboek (2013)

Het bijbelregister van het Liedboek geeft voor de teksten van dit stuk:16

Voor Henoch (Genesis 5) geeft het register geen lied. Cowpers “Walking with God” zou hier een plaats kunnen krijgen, in een eigen vertaling of als koorlied.

Voor preek en meditatie

Het dragende inzicht. Geloven, wandelen en vriendschap zijn drie dimensies van één verhouding. Geloven is het vertrouwen dat draagt, wandelen is de weg die dat vertrouwen in de tijd gaat, en vriendschap is de wederkerigheid waarin God zijn geheim deelt en de mens mag terugspreken. Geen van de drie kan zonder de andere twee.

Vijf mogelijke invalshoeken:

Voor een meditatie. Lees Teresa’s zin over het gebed als vriendschappelijke omgang langzaam, twee keer. Stilte. Lees Genesis 5:24. Stilte. Lees Johannes 15:15. Sluit af met Nada te turbe (Taizé) of met “Welk een vriend is onze Jezus”.

Bronnen

Bijbelteksten. De werkvertalingen van Genesis 5:21–24, Genesis 15:5–6 en Johannes 15:13–16 zijn eigen vertalingen uit het Hebreeuws en Grieks. Andere bijbelcitaten zijn eigen weergaven in aansluiting bij NBV21 en HSV. Septuaginta voor Genesis 5:24; Hebreeën 11:5–6.

Joodse bronnen. Genesis Rabba 25:1 en 30:10 (Sefaria). Rasji bij Genesis 6:9 (Sefaria). Babylonische Talmoed, Sota 14a; Makkot 24a. Targum Onkelos en Targum Pseudo-Jonathan bij Genesis 5:24. Philo, De sobrietate 55–56. Maimonides, Moreh Nevukhim III, 51 en III, 54. M. Buber, Zwei Glaubensweisen (1950). A.J. Heschel, God in Search of Man (1955).

Vroegchristelijke bronnen. Irenaeus, Adversus haereses IV, 13, 4 (ANF, New Advent). Clemens van Alexandrië, Stromata (vooral boek VII). Gregorius van Nyssa, De vita Moysis II, 320 (Malherbe/Ferguson, 1978). Augustinus, Confessiones VIII, 6, 15.

Mystiek en latere theologie. Aelred van Rievaulx, De spiritali amicitia I, 69–70. Thomas van Aquino, Summa theologiae II-II, q. 23, a. 1. Teresa van Ávila, Libro de la vida 8, 5. J. Moltmann, Kirche in der Kraft des Geistes (1975). D. Willard, Hearing God (1999; eerder In Search of Guidance, 1984).

Secundaire literatuur. M. Dudziková, “Friendship with God as an Ultimate Ideal in the Writings of Philo of Alexandria”, AUC Theologica 10/2 (2020), 9–27. Aristoteles, Ethica Nicomachea VIII, 7.

Poëzie. G. Herbert, The Temple (1633). W. Cowper en J. Newton, Olney Hymns (1779). J. Scriven, “What a friend we have in Jesus” (1855). Teresa van Ávila, Nada te turbe. R.S. Thomas, Laboratories of the Spirit (1975). R.M. Rilke, Das Stunden-Buch (1905).

Liederen. Liedboek — Zingen en bidden in huis en kerk (2013); gegevens via Kerkliedwiki.

Verantwoording en onzekerheden