JHWH, Gij hebt mij doorzocht — en Gij weet.

Psalm 139:1

Jij bent het, niemand anders, die mij doorheeft, mij begrijpt.

Langzaam komt het binnen, in de stilte, door de aandacht.

Alles ligt open op tafel, het hele verhaal van mijn leven.

De lichte en de donkere kanten, de tranen en de vreugde.

Het laat Jou niet koud, hoe verder, Jij en ik?

Reinoud Koning

Voor de koorleider. Van David, een psalm. HEER, U kent mij, U doorgrondt mij, Psalm 139:1 (NBV21)
Een psalm van David, voor de koorleider. HEERE, U doorgrondt en kent mij. Psalm 139:1 (HSV)

Bij dit vers

Doorgronden is geen zacht woord. Het Hebreeuwse chaqar hoort thuis bij het delven naar erts, het verspieden van een land, het uitpluizen van een rechtszaak. Job gebruikt hetzelfde werkwoord bang: zal het goed voor mij aflopen wanneer Hij mij doorgrondt? De psalm zegt het zonder angst — en dat is geen vanzelfsprekendheid, maar iets wat veroverd moet worden.

Kennen is geen kijken. Jada is het werkwoord van omgang en verbond, niet van waarneming. Het gaat hier niet om een God die alles ziet, maar om een God die zich met déze ene mens heeft ingelaten. Augustinus las dat goddelijke kennen dan ook niet als vaststellen maar als beamen.

En dan houdt de zin op. Het Hebreeuws zet het woordje “mij” alleen bij het eerste werkwoord: Gij hebt mij doorzocht — en Gij weet. Punt, zonder voorwerp. Bijna alle vertalingen vullen aan met “en kent mij”, maar in de brontekst blijft het open staan. Wat God weet, laat zich niet begrenzen tot mij.